Amour Fou

‘Eerst dacht je dat ze misprijzend keek en als je haar beter leerde kennen, merkte je dat ze inderdaad misprijzend keek’, schrijft Marek van der Jagt in De geschiedenis van mijn kaalheid over Milena, een van de twee meisjes met wie hij zou willen ontdekken wat ‘amour fou’ – voor de surrealisten de wilde, onbeperkte en irrationele liefde – precies inhoudt. De bevestiging op de plaats waar normaal gesproken een correctie van de eerste indruk zou volgen, maakt dat het meisje op de hoogste trede van de vergelijkende trap van ‘misprijzend’ staat.

Ik moest aan Milena denken toen ik werk van Magritte zag in de Schirn Kunsthalle in Frankfurt, waar zijn Periode Vache of Periode Koe wordt gepresenteerd. Deze periode beslaat het jaar 1948, waarin Magritte uitzonderlijk werk heeft gemaakt.

De meeste schilderijen van Magritte, die tot zijn eigen aarzeling tot de surrealisten werd gerekend, zijn uitgesproken netjes, op het tuttige af. Het gaat niet om de verf, maar om de boodschap in zijn schilderijen, en hoewel die me aan het denken en vermoeden houden, zijn de schilderijen wat betreft techniek vooral keurig uitgewerkte kleurplaten. Toch levert wat hij inhoudelijk suggereert een spanning op met het uitgestreken voorkomen waarin deze inhoud wordt gepresenteerd.

De keurigheid van Magrittes schilderijen is verraderlijk. Dat dacht ik toen ik zijn werk voor het eerst zag, en nu ik zijn Periode Koe heb leren kennen, weet ik het zeker. In deze periode maakte het Magritte niet meer uit of zijn doeken volmaakt waren in uitvoering. Het is alsof hij dat jaar door een perverse god werd bestookt met stormachtige energie. Overlopend van ideeën had de schilder geen tijd meer om met enkelharige penselen details te perfectioneren. Hij werkte met grove kwast en zette met een enkele lijn de essentie van een idee neer. Op andere plekken is het zelfs modderig wat hij doet, alsof de verf klei is in zijn handen, die hij wellustig over het doek uitsmeert.

De hongersnood is een voorstelling van mannen die elkaars neuzen opvreten. De mannen lijken elkaar tegelijkertijd oraal te bevredigen, de rode gezwollen neuzen in elkaars kelen als enorme penissen. Ingetogener is Lola de Valence, een parodie op het portret van de danseres door Edouard Manet uit 1862. Lola heeft twee koppen die elkaar lieflijk zoenen.

Het meest verwarrende doek is misschien wel De inhoud van het beeld. Magritte zet hier een man neer die letterlijk en figuurlijk van zichzelf overloopt. De kunstenaar, zijn kunst en zijn gedachten komen elkaar tegen in een absurdistisch tafereel. Uit zijn hoofd groeien mismaakte koppen. Een van de koppen lijkt op een gesnavelde Hitler, en uit de neus van een andere kop druipt bruine verf als diarree op de schouder van de man. Zijn stropdas mondt uit in een kledderboel rond zijn voeten en ook de andere kledingstukken die hij draagt, lekken uit als een overdaad aan verf. Het mooie is dat het ook een overdaad aan verf ís die Magritte hier op zijn volkomen uit de hand gelopen onderwerp loslaat.

In de ene hand klemt de grijnzende figuur een pistool, en in de andere een banaan. Deze voorwerpen zijn, zoals het penseel in de hand van de bezeten kunstenaar, gevaarlijk en ontwapenend tegelijk. Magritte wankelt, bovenaan de trap. Hij danst met Milena, dronken van zijn eigen, hartstochtelijke amour fou.