Wat hij hoorde: ?Rijke stinker!?

Op weg naar school kwam de jonge Hofland langs christelijke arme kinderen.

Ze trokken hun klompen uit en bedreigden hem,het rijkeluiskind.

Toen in 1929 de beurs in New York instortte, was ik twee. Aan deze ramp heb ik geen duidelijke herinneringen. De neergang krijgt pas duidelijk contouren als ik op mijn zesde naar school ga en moet leren zwemmen. Dat is in 1933. Ieder tijdvak heeft zijn eigen gezicht. Nu zal dat voor een steeds groter deel worden bepaald door de digitale media, misschien al in mindere mate door de televisie, en natuurlijk de sport. Toen kreeg een kind vooral een beeld van zijn tijd door wat het op straat beleefde. En wat dat was, hing weer in hoge mate af van wat we noemen je sociale positie.

Mijn ouders waren niet onbemiddeld, ik woonde in een ‘rijke buurt’, Kralingen, aan de Oudorpweg. Daar ben ik zonder geloof aan enig opperwezen opgegroeid. Nooit op mijn knieën moeten liggen, nooit een gebed gezegd. Mijn weg naar school ging langs een christelijke school met veel kinderen die uit arme gezinnen kwamen, misschien met een werkloze vader. Moeders werkten in die tijd nog niet. Als de kleine christenen me zagen aankomen, trokken de strijdvaardigsten een klomp uit, kwamen me daarmee dreigend tegemoet en riepen: ‘Ik sla je de hersens in, rijke stinker!’

De Oudorpweg komt uit op de ’s Gravenweg. Aan de overkant waren toen ‘werven’, langs sloten gebouwde rijen kleine,oude eengezinswoningen, bijna krotten. Daar woonde een vriendje van mij, Jantje Human. Zijn vader was actief communist. Op zondagochtenden kwam regelmatig het Leger des Heils, een orkest en een koortje met een stichtelijk repertoire. De vader van Jantje wachtte tot muziek en gezang waren begonnen, stormde dan met gespreide armen, hard vloekend op het vrome gezelschap af en joeg het van de werf. Vaak heb ik met instemming en respect naar dat schouwspel gekeken.

Op mijn weg naar het zwembad, door de Voorschoterlaan, kwam ik langs een stempellokaal, een kantoor waar de werklozen een stempel moesten zetten in ruil voor de steun, zoals hun uitkering toen werd genoemd. De stempelaars hadden niet genoeg geld om sigaretten, sigaren of pijptabak te kopen. Ze pruimden. Hoe dichter ik bij het stempellokaal kwam, hoe donkerder het plaveisel.

Verderop was het socialistische dagblad De Voorwaarts gevestigd. Aan de gevel hingen grote schoolborden waarop met krijt het laatste nieuws geschreven was. Daar kwam ik de werklozen opnieuw tegen, de havelozen, allemaal droegen ze een pet. Ze stonden te lezen hoe het met de wereld ging, zeiden af en toe godverdomme, of: de klootzakken. Van de werklozen heb ik veel lelijke woorden geleerd. Maar afzien daarvan: begrijpt een kind iets van het wereldnieuws? Er blijft in ieder geval veel van hangen.

Voor mij blijft de crisis ook regelrecht verbonden met wat toen een schlager was; wat nu tophit wordt genoemd. Het Bei mir bist du schön van de Andrews Sisters, die in close harmony zongen. Voor de gelegenheid heb ik het opgezocht op YouTube. Nog altijd prachtig. Toen hadden we een andere tekst:

Bei mir bist du schön,

We trekken van de steun,

En we eten bij het Crisis Comité,

We krijgen erwtensoep,

zo dun als koeiepoep... enz.

In 1933 vloog in Berlijn de Rijksdag in brand, kwam Hitler aan de macht, werd Marinus van der Lubbe, verdacht van de brandstichting gearresteerd, en ging een deel van de bemanning van HM de Zeven Provinciën over tot muiterij. Mijn vader, aanhanger van de Vrijzinnig Democratische Bond, was een verklaarde antifascist. Om te weten hoe het verder met de wereld zou gaan, moesten we naar de redevoeringen van Hitler en Goebbels luisteren. Die kwamen uit de radio, een gotisch gevormd kastje met een paar knoppen. Hitler sprak, ik mocht er niet doorheen praten. Daar klonk dramatisch geschreeuw uit het kastje, onderbroken door uitzinnig gejuich. Mijn vader stak een sigaret op, blies de rook loodrecht omhoog, en zei: ‘Er komt oorlog.’

Voor hij in het bedrijfsleven ging, was mijn vader officier bij de marine geweest en had ook op de Zeven Provinciën gevaren. De muiterij greep hem aan, en vervolgens ook het dreigement van minister-president Colijn, dat het schip ‘desnoods naar de bodem van de zee zou worden gezonden’. Hij was een ordelievend man, maar voorzover zijn militair verleden hem dat toestond, had hij begrip voor de muiters die met hun wanhoopsdaad protesteerden tegen drie opeenvolgende tractementsverlagingen. Op bevel van Colijn werd er een bom op het schip gegooid: 23 doden.

We waren thuis geabonneerd op de NRC, De Groene Amsterdammer en het geïllustreerde weekblad Het Leven. Daaruit herinner ik me één foto van het proces tegen Van der Lubbe. Hermann Göring, later opperbevelhebber van de Luftwaffe is opgeroepen als getuige. Hij draagt een wit uniform en schreeuwend heeft hij zijn mond wijd opengesperd. Tussen zijn handen buigt hij in woede een rijzweepje. Onvergetelijk. In 1934 werd Van der Lubbe onthoofd. Die gruwel heeft mij nachtmerries bezorgd.

In 1935 is het Italië van Mussolini zijn oorlog tegen Abessinië begonnen. Iedere zondag gingen mijn vader en ik naar de Cineac NRC aan de Coolsingel, een bioscoop waar ieder uur al het nieuws van stad en wereld werd vertoond, en een tekenfilm met Popeye the Sailor of Betty Boop in de hoofdrol. Nog zie ik de witgejurkte krijgers van de Negus, Haile Selassie, voor de Italiaanse tanks vluchten. Maar Mussolini, de Duce, werd hier door veel mensen bewonderd.

Intussen bleef in Nederland de werkloosheid stijgen. In 1934 was bijna twintig procent van de beroepsbevolking zonder werk, omstreeks een half miljoen. Het kabinet Colijn was bang dat het bedrag van de uitkeringen onbetaalbaar zou worden en wilde de steun verlagen. Dit plan bracht de wanhopigen tot razernij. In juni 1934 brak in de Jordaan in Amsterdam een oproer uit dat zich de volgende dagen over andere buurten verspreidde. Er werd met stenen gegooid, lantarenpalen werden omver getrokken, barricades opgericht. Hier en daar werd de rode vlag met sikkel en hamer gehesen. Het groeide uit tot een opstand die met hulp van het leger werd neergeslagen. Vijf doden en eenenveertig gewonden.

Tot zover een paar herinneringen van een 81-jarige aan de crisis van toen. Omstreeks 2080 zal de redactie van nrc.next een 80-jarige lezer vragen hoe die als kind onze credietcrisis en de sluipende recessie van deze tijd heeft ervaren. Een goed idee. Next is dan een krant geworden die graag door hoogbejaarden wordt gelezen en in zo’n verhaal zullen ze hun jeugd herkennen.

Deze herinneringen worden ook afgedrukt in NRC Handelsblad dat zich in de loop der jaren steeds weer heeft verjongd. Altijd is het interessant, te lezen wat de oudjes hebben beleefd, als het tenminste niet te lang duurt.