Politiek handwerk, geen ferme taal

De confrontatie met woningcorporaties over de aanpak van de veertig achterstandswijken heeft diepe wonden geslagen, aldus Ella Vogelaar.

Volgende week behandelt de Tweede Kamer de begroting van Wonen, Wijken en Integratie. Door mijn gedwongen vertrek als minister mis ik deze gelegenheid om mij publiekelijk te verantwoorden voor de integratie en de aanpak van achterstandswijken. Dat doe ik alsnog hier. Mijn adagium is dat het oplossen van maatschappelijke problemen alleen slaagt door duurzaam te investeren in de uitvoering en niet door het uitslaan van ferme taal.

De verbetering van achterstandswijken geldt als een icoon van de PvdA, maar de financiering bleek kort na mijn beëdiging niet solide. Het coalitieakkoord veronderstelde dat ik een greep in de kas van de gemeenten zou doen en de vermogens van de woningcorporaties zou afromen. Tegelijkertijd werden gemeenten en corporaties geacht samen met bewoners de wijkaanpak tot een succes te maken. Om ruzie te voorkomen zag ik af van het graaien in het Gemeentefonds en sprak ik af dat de gemeenten een deel van de extra middelen die ze van dit kabinet kregen, zouden gebruiken voor de wijkenaanpak.

De confrontatie met de woningcorporaties heeft diepe wonden geslagen. Gezien hun vermogenspositie is een extra investering alleszins te billijken. Ik wilde dit doen op een wijze die ook voor de sector aanvaardbaar was. Helaas bleek dit niet mogelijk. De sector is intern verdeeld. Het uitblijven van overeenstemming dwong me tot een eenzijdige heffing. Een molensteen om mijn nek was de eis van Wouter Bos dat de vermogens van de corporaties voor verbetering van de wijken via de schatkist moesten worden afgeroomd. Dit resulteerde in de invoering van volledige vennootschapsbelasting, hetgeen kwaad bloed zette. Gelukkig gingen de corporaties hun maatschappelijke verantwoordelijkheid breed opvatten door ook te investeren in sociale projecten. Pas na een jaar touwtrekken met Bos, de minister van Financiën kreeg ik een budget voor de aanpak van de wijken. Eindelijk konden de initiatieven van de bewoners worden betaald. Daarna begon het volgende gevecht over geld. Vanaf 2011 is het budget voor de stedelijke vernieuwing fors verminderd, terwijl dat juist één van de pijlers is van de wijkenaanpak.

Wat is er nodig om de verwachtingen die al zijn gewekt bij de bewoners van de veertig wijken waar te maken? Op de eerste plaats moeten de bezuinigingen op de stedelijke vernieuwing worden geschrapt. Dat past goed in het plan van het kabinet om door investeringen de effecten van de recessie te dempen. Ook dient het budget op de begroting voor de wijkenaanpak voor tien jaar te worden gegarandeerd. Als dat budget wegvalt, is er geen geld meer voor eigen initiatieven van bewoners. Op de tweede plaats dienen de verhoudingen met de woningcorporaties genormaliseerd te worden. Dat draait om de vennootschapsbelasting, de mate waarin de corporaties ook sociale taken op zich nemen en de mate van autonomie van de corporaties. Dit kabinet wil in de semipublieke sector de positie van de belanghebbenden versterken door invoering van een nieuwe juridische entiteit, namelijk de maatschappelijke onderneming. De afspraak is gemaakt om dan de vennootschapsbelasting voor de corporaties te heroverwegen. De verbreding van het takenpakket van de corporaties met investeringen in sociale activiteiten en in maatschappelijk vastgoed zoals nu gebeurt, dient wettelijk te worden geregeld. De verhouding tussen het Rijk en de corporaties heeft de afgelopen vijftien jaar veel weg van een weerhuisje. Begin jaren negentig zijn de corporaties met een zak geld op afstand van de overheid gezet. Het was de tijd van geloof in marktwerking en liberalisering. Nu dat geloof aan erosie onderhevig is, haalt de politiek de teugels weer aan. Het zal van de nieuwe minister voor Wonen, Wijken en Integratie veel evenwichtskunst vergen om een balans te vinden tussen autonomie en publieke controle. Corporaties zijn private organisaties met een maatschappelijke doelstelling. Binnen wettelijk vastgelegde kaders moet er een grote mate van autonomie zijn. Natuurlijk hoort het management verantwoording af te leggen aan interne toezichthouders en belanghebbenden. Het ministeriële toezicht is daar een afgeleide van. Hoe lastig het is die verantwoordelijkheden te blijven onderscheiden bleek in het recente kamerdebat over het woonschip de SS Rotterdam.

Tot slot zal het succes van de wijkenaanpak afhangen van de mate waarin de kracht van de bewoners wordt gemobiliseerd. Ondanks de valse start geloven de meeste bewoners en professionals nog in de wijkenaanpak. In mijn wekelijkse wijkbezoeken zag ik het enthousiasme groeien. Om dat vast te houden moeten alle partijen hun beloften nakomen en moet er minstens twee kabinetsperiodes geïnvesteerd worden in de wijkenaanpak.

Sinds mijn vertrek is het beeld geschapen alsof die softe Vogelaar de problemen met een groep Antilliaans-Nederlandse jongeren negeert. Niets is minder waar. De Antillianengemeenten kunnen meedoen in de pilot met de algemene verwijsindex risicojongeren van minister Rouvoet (ChristenUnie, Jeugd en Gezin). In die gemeenten wordt de Antillianen-coördinator opgenomen in de verwijsindex. Dan is direct duidelijk dat een jongere met een vinkje bij deze coördinator van Antilliaans-Nederlandse afkomst is.

Wijkagenten spelen een centrale rol. Hoewel er geld is uitgetrokken voor 500 extra wijkagenten, zijn die nog steeds niet of onvoldoende aanwezig. Zo hebben de korpsen van Gouda en Ede een personeelstekort van dertig procent. Tegelijkertijd zijn andere korpsen boventallig. Het moet toch mogelijk zijn om die mismatch op te lossen. Tijdens mijn wijkbezoeken vertelden agenten hoe frustrerend het is dat jongens die ze vaak na een eindeloos kat-en-muisspel eindelijk op heterdaad betrapten, vaak na korte tijd weer als held terugkeren.

De reguliere instanties blijken niet in staat om kansarme jongeren en gezinnen te bereiken. Cruciaal voor succes is samenwerking met vrijwilligers en professionals uit de gemeenschap zelf, mensen die op grond van eigen levenservaring met gezag kunnen optreden. Helaas worden personen uit de gemeenschap die een vrijwilligersorganisatie opzetten om dit werk te doen vaak gemarginaliseerd.

Het vorige kabinet bracht na vier jaar touwtrekken op de valreep een nieuwe Wet inburgering tot stand. Alras bleek dat Rita Verdonk een waar monstrum had gebaard. Een half jaar na mijn aantreden heb ik de eerste wetswijzigingen doorgevoerd om betere resultaten te bevorderen. Op het ministerie ging een team aan het werk om de vijftig gemeenten met de meeste inburgeraars actief te ondersteunen. In 2008 tekent zich een voorzichtige kentering af, maar de problemen zijn nog lang niet opgelost. Mijn opvolger liet dinsdag weten dat hij de doelstelling om 60.000 mensen per jaar in te burgeren niet wil verlagen. Dat klinkt ferm, maar hij organiseert er zijn eerste mislukking mee, want het is uitgesloten dat de opgelopen achterstand zelfs maar bij benadering wordt ingelopen.

Het grote misverstand bij veel politici is dat men denkt de maatschappelijke problemen op te lossen met een flinke dosis populisme. Maat het gaat om duurzame verbetering van de uitvoering. Dat klinkt niet sexy, maar het is het politieke handwerk dat uiteindelijk het verschil maakt.

Ella Vogelaar (PvdA) is oud-minister voor Wonen, Wijken en Integratie.