Met een joodse vader naar Duitsland

Op het IDFA in Amsterdam kwam Frans Bromet gistermorgen zelf enkele van zijn documentaires voor het publiek toelichten, waaronder de zeer persoonlijke Het drielandenpunt uit 1974. Daarin filmde Bromet het eerste naoorlogse bezoek van zijn joodse vader aan Duitsland.

Veelbetekenende fragmenten uit deze film waren opgenomen in De grens van Frans Bromet, een film over Bromet zelf, die Het uur van de wolf deze week uitzond. Toen ik deze fragmenten had bekeken, wist ik zeker dat ik even naar het IDFA moest om de rest van de film te zien.

Ik werd niet teleurgesteld. Het drielandenpunt is een échte Bromet, planmatiger – met een soort scenario – gefilmd dan zijn latere werk, maar toch al met die diepborende belangstelling voor menselijk gedrag die hem tot zo’n unieke documentarist heeft gemaakt. Wie doet het hem na in binnen- en buitenland? Ik zou het niet weten.

Zijn ouders, inmiddels alweer lang geleden overleden, spelen de hoofdrol in Het drielandenpunt, samen met de tweelingzus van zijn niet-joodse moeder en haar man. Gevieren gaan ze met Frans-de-filmer op stap naar Vaals, waar de vader voor zijn gruwelijke dilemma komt te staan: zal hij wel of niet de grens naar het gehate Duitsland overgaan?

Er volgt een geweldige scène voor een afgesloten hek, waar alle familieleden onderdoor gaan om in Duitsland te komen, behalve pa Bromet die principieel aan de voor hem enige goede kant blijft staan. De familieleden keren pas naar hem terug als Frans roept: „Is het niet een beetje lullig om pa zo alleen te laten?”

Bij de zoon wint de deernis het op dat moment van de ergernis, die zich de voorafgaande jaren bij hem heeft opgehoopt en die hij ook uitspreekt in de intro van de film. Hij vindt het standpunt van zijn vader benepen en hij laat dat later in de film op een hilarische manier doorklinken als de familie in een Duits café zit. Pa Bromet is dan eindelijk ‘om’, vooral dankzij zijn doortastende schoonzus. Frans vraagt de familieleden op zijn bekende stokerige wijze: „Zou die man achter de tap niet fout geweest zijn?”

Na afloop van de vertoning vroeg de interviewer hoe belangrijk deze film voor hem was geweest. Bromet begon daarop aan een korte, technische verhandeling, wat niet de bedoeling was. Sinds dat mooie tv-portret dat David de Jongh in Het uur van de wolf van hem maakte, weten we dat Bromet zijn eigen interviewstijl liever niet ziet toegepast op zichzelf. Hij is de psychiater die niet zelf geanalyseerd wil worden – en die dan ook van zichzelf minder lijkt te begrijpen dan van zijn medemens.

Maar het bewonderende publiek wilde hem niet zó makkelijk laten wegkomen. Ja, het was een van zijn dierbaarste films, gaf hij toe. Ook zijn ouders waren er trots op geweest. Was hij in zijn intro niet te hard voor hen? „Het moest maar eens gezegd worden”, zei Bromet, „en ze namen het sportief op. Na die film zijn ze trouwens álle vakanties naar Duitsland gegaan… Ik kon ze ná de film ook beter hebben dan ervoor.”

En weg was hij, in al zijn soms vriendelijke, soms korzelige ondoorgrondelijkheid.

P.S.: De veiling in Haarlem van de W.F. Hermans-collectie van Rob Delvigne, waarover ik deze week schreef, heeft 25.000 euro opgebracht, waarvan 10.000 voor het script van Als twee druppels water.