Er moet meer aan de hand zijn met de slangenleren laars

Gisteren stond Patrick ‘De Nier’ Lodiers met zijn Emmy op de voorpagina van Het Parool. Fijn natuurlijk, dat de Donorshow een Emmy had gewonnen, maar al die vreugde werd ernstig verstoord door een opvallend detail onderin de foto: de grote, witte, puntige slangenleren laarzen van Patrick.

Wat is het toch met bekende Nederlandse mannen en hun voorliefde voor slangenleren laarzen? Het is een langlopend modeprobleem – niet iets tijdelijks zoals, ik noem maar wat, het mannendecolleté, de mannensjaal met franjes en de mannendiadeem.

Nee, de slangenleren laars is een hardnekkiger fenomeen, waarschijnlijk omdat een slangenleren laars van een hardnekkig, taai beest is gemaakt en veel geld kost, dus niet makkelijk slijt of wordt ingeruild voor een nieuw paar schoenen.

Maar er moet meer aan de hand zijn met de slangenleren laars. Waarom piept hij anders al jaren uit onder het Hans Ubbink-kostuum van Beau van Erven Dorens, onder de strakke spijkerbroek van Jeroen Pauw, onder het designpak van Kluun (die de slangenleren laars zelfs als volwaardig literair thema gebruikte in zijn debuutroman; waar Kluun vreemdging, was altijd de slangenleren laars), en draagt Patrick Lodiers ze nu ook al? En dan noem ik alleen nog maar fervente ambassadeurs van de laars, want ik weet dat er nog duizenden andere slangenlerenlaarzendragers zijn.

Een mooie laars is het niet. Zoals ik al zei is hij taai. En schubbig. En, niet onbelangrijk, gemaakt van een onaantrekkelijk dier dat gehele eieren kan doorslikken. De laars is ook nog puntig (en puntig kan al achtenhalf jaar niet meer) en bijzonder langgerekt. Dit was goed te zien op de coverfoto van Patrick Lodiers; een gedrongen man in een non-descripte zwarte outfit, met daaronder ineens twee lange, bleke, geschubde uitstulpsels. Obsceen, bijna.

En daar raak ik, denk ik, als amateur-modehistorica, aan de aantrekkingskracht van de slangenleren laars. Hij is zo obsceen, zo ordinair, zo vies en zo lang dat mannen denken dat hij daardoor juist aantrekkelijk is. De gedachte achter de laars is niet: hé schat, ik ben een wilde man en daarom draag ik dit reptiel als laars. Het speelt zich allemaal nog één metaniveau hoger af – de gedachte is: ik weet dat deze laars niet kan, en daarom doe ik hem juist toch aan, want dat kan mij dus allemaal niets schelen.

Het enige waarop wij vrouwen nog kunnen hopen is een verbod van hogerhand.

De columnbundel Dan ook maar meteen een jurk aan van Aaf Brandt Corstius ligt nu in de winkel (uitgeverij Podium).