Zwarte school speelt de hoofdrol

De Franse film ‘Entre les murs’ geeft een haarscherp beeld van de situatie op zwarte scholen. „Een feest der herkenning”, zeggen Amsterdamse docenten.

Tijdens een voorstelrondje in de lerarenkamer vangt de camera de wiskundeleraar. De man zegt: „Ik geef hier al twintig jaar wiskunde. Dat wil zeggen: ik leer de leerlingen de tafels en een heel klein beetje wiskunde.” Dan zwenkt de camera in Entre les murs weer weg.

„Zo is het precies”, zegt Ger Willems, al jaren leraar Engels aan een vmbo-school: „Je leert de kinderen niet elk jaar iets nieuws, je leert hun elk jaar hetzelfde – met een paar nieuwe dingen.” Zijn collega Jolan de Vent, lerares Nederlands aan het mbo, voegt eraan toe: „Wat de leerlingen voor de zomervakantie hebben geleerd, zijn ze na de vakantie vaak alweer vergeten.”

Willems en De Vent geven les aan het IJdoorncollege in Amsterdam-Noord, waar negen van de tien kinderen van buitenlandse afkomst zijn. Op verzoek van deze krant keken ze naar de Franse film Entre les murs, die morgen in Nederland in roulatie gaat en die vanmiddag is vertoond aan de veiligheidscoördinatoren van alle scholen in Amsterdam. De film won de Gouden Palm, een van de belangrijkste filmprijzen, en wordt door het haarscherpe beeld van het onderwijs wel vergeleken met Être et avoir (2002), een bioscoophit over een Franse dorpsschool.

„Een feest der herkenning”, noemen Willems en De Vent de film, waarin een idealistische docent zich staande probeert te houden op een school voor voortgezet onderwijs met voornamelijk migrantenkinderen. Ze doelen bijvoorbeeld op de oudergesprekken, waarbij een broer of neef van de leerling tolkt, een vader ongeduldig om de cijferlijst vraagt en een ouder hardop droomt over de universiteit voor zijn zoon.

Voor veel leerlingen is dat een lange weg, blijkt in de film en in de praktijk van het IJdoorncollege. „Heel grappig in de film is dat de leraar een woord uitlegt en dan een woord gebruikt dat de leerlingen ook niet kennen. Dat gebeurt me ook vaak. Ik leerde mijn klas onlangs het telefoonalfabet, maar bij de letter Q vroegen leerlingen: ‘Quotiënt, wat is dat nou?’ Toen zei ik: ‘Qua’. Maar volgens hen schreef je dat als ‘kwa’. Uiteindelijk kwamen ze zelf met ‘Quarterpounder menu’ voor de Q.”

Vervogl Leraren: pagina 2

‘Filmleraar’ wil winnen van de klas

De klassendocent in de film gaat ver in het aanleren van formeel Frans, zoals de imparfait du subjonctif (‘Il était nécessaire qu'il parlât’). Jolan de Vent is minder ambitieus in haar lessen Nederlands: „Op de lagere opleidingen van het mbo is het belangrijk dat ze een goede brief leren schrijven. Daarvoor moeten ze wel goed kunnen spellen en de verleden en tegenwoordige tijd correct gebruiken. Dat ze bijvoorbeeld niet weten wat een pleonasme is, tja.”

De leerlingen in de film moeten tot hun verdriet een leesverslag maken van het dagboek van Anne Frank.

Willems: „Die enorme weerzin tegen lezen hebben onze leerlingen ook. Zelfs als ze in de klas helemaal niets anders te doen hebben, dan komen ze er toch niet toe een boek in te kijken.” Als Willems’ vmbo-leerlingen al lezen zijn het kinderboeken als Kruistocht in spijkerbroek. De mbo-leerlingen lezen soms hyperrealistische boeken, zegt De Vent: „Vaak over hun islamistische achtergrond zoals De vliegeraar.”

Boeken passen niet meer in een leefwereld waarin alles pace heeft zoals msn en games, zegt Willems. De Vent: „Ze doen alles snel en tegelijkertijd. Ze luisteren naar muziek, sturen sms’jes en praten met je. ‘Heb je me wel gehoord’, vraag ik dan. ‘Ja hoor’, zegt zo’n meisje en herhaalt precies wat ik heb gezegd.”

In de les wordt wel stiekem naar de iPod geluisterd. „Bij meisjes zijn de snoertjes onder de hoofddoeken lastig te zien.”

Dat een leerling in de film Politeia van Plato heeft gelezen, komt de leraren niet erg geloofwaardig over. De verhandeling van het meisje over Plato is het besluit van een snel oplopend conflict tussen de leraar en de klas, dat de motor is van de film. In een woordenwisseling met twee meisjes gebruikt de leraar een voor hem neutrale kwalificatie die door de klas als ‘prostitué’ wordt uitgelegd.

„Dat is mij ook eens gebeurd, in het begin van mijn carrière”, vertelt Willems. „In Limburg, waar ik vandaan kom, kun je met het woord ‘aap’ op een lieve manier ‘stouterd’ zeggen. Ik noemde een meisje dat zich had misdragen eens een ‘lelijke aap’ en oef wat heb ik daar een last van gehad. Ze was heel boos en haar ouders spraken mij er later ook op aan.”

De leraar in de film pakt het vervolgens niet goed aan, zeggen Willems en De Vent: „Hij werkt zich enorm in de nesten, doordat hij per se de discussie wil winnen. Maar je moet je nooit laten meeslepen in een wedstrijd met de klas. Je kunt met een grap een conflict snel smoren.”

De filmleraar speelt zijn rol als opvoeder niet goed, vinden zijn Amsterdamse collega’s. Hij laat de kinderen te veel door elkaar praten, geeft ze te veel vrijheid. Willems: „Een leraar moet duidelijk zijn. Schrijf op het bord wat je gaat doen, loop door de klas dezelfde route. Dat geeft een gevoel van veiligheid. De leraar in de film doet aardig tegen de kinderen, maar je wordt echt aardig gevonden als je de kinderen structuur biedt.”