Vrouw zijn is ook een verdienste

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waarop wordt een vrouw beoordeeld?

Vrouwen zijn inmiddels hoger opgeleid dan mannen, en toch wordt in Nederland nog geen zeven procent van de topfuncties bij de belangrijkste beursgenoteerde bedrijven door vrouwen bekleed – ruim vier procent minder dan het Europese gemiddelde. Het aantal vrouwen in topfuncties bij de overheid is met 16 procent niet veel beter. Voor de wetenschap geldt hetzelfde: nog geen tien procent van de hoogleraren en universitaire hoofddocenten is vrouw.

Vrijblijvende maatregelen, zoals fiscale prikkels om meer te gaan werken, blijken vaak weinig effectief als het gaat om de doorstroom van vrouwen naar de hoogste treden van de maatschappelijke ladder. Daarom gaan er steeds vaker stemmen op voor het instellen van quota. De vakbond FNV en de Partij van de Arbeid vinden dat bedrijven wettelijk verplicht moeten worden om veertig procent van hun bestuursfuncties aan vrouwen te vergeven, zoals in Spanje, Noorwegen en Denemarken ook het geval is. Volgens hen is zo’n voorkeursbeleid nodig om de bestaande „mannencultuur” te veranderen. En twee weken geleden nog drongen vijftig prominente mannen uit het bedrijfsleven en de wetenschap in een paginagrote advertentie in het Financieel Dagblad er bij minister Bos (Financiën) op aan om bij zijn ingrijpen in de financiële sector meer vrouwen aan de top aan te stellen.

Toch is de weerstand tegen quota in Nederland nog altijd groot. Minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA) zei eerder dit jaar al niets te zien in een wettelijke quotum voor vrouwen in bestuursfuncties. En toen minister Guusje Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) afgelopen zomer voorstelde om een quotum voor vrouwen in de Nederlandse politietop in te stellen, brak er onmiddellijk grote onrust uit. Politiechef Ans Rietstra waarschuwde zelfs dat een quotum tot „uitsluitingmechanismen richting nieuwkomers” zou leiden.

Het grote probleem is namelijk dat quota als ‘onrechtvaardig’ worden beschouwd. Onrechtvaardig jegens mannen, die op grond van hun geslacht op een achterstand worden gezet; én onrechtvaardig jegens vrouwen, die op grond van hun geslacht opeens voorkeur genieten en dus niet langer worden beoordeeld op basis van hun talenten en prestaties.

Dat gevoel van onrechtvaardigheid hebben we te danken aan het feit dat Nederland een meritocratische samenleving is, waarin de opvatting heerst dat de sociaal-economische positie van mensen moet worden bepaald door hun verdiensten (merites), en niet door afkomst, geslacht of ras. Die opvatting is te herleiden tot de Britse filosoof John Locke (1632-1704), die als één van de eerste westerse denkers stelde dat de verdeling van kapitaal en bezit zou moeten geschieden op basis van de verrichte arbeid, en niet op basis van overerving (in de Oosterse filosofie ging de Chinese wijsgeer Confucius (551-479 v. Chr.) hem hierin al voor).

De maatschappij was volgens Locke weliswaar noodzakelijkerwijs hiërarchisch, maar deze hiërarchie was te billijken als ze was gebaseerd op prestaties, in plaats van de – tot dan toe gebruikelijke – (adellijke) afkomst. De meritocratische gedachte kreeg tijdens de Verlichting in de 19e eeuw een extra impuls, toen een radicaal gelijkheidsdenken zijn intrede deed. Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) en daarna vooral de Amerikaanse neo-Kantiaan John Rawls (1921-2002) waren grote pleitbezorgers van een concept van ‘rechtvaardigheid’ die blind was voor niet-gekozen eigenschappen.

De aversie tegen quota is dus wel begrijpelijk. Vanuit meritocratisch perspectief wordt met positieve discriminatie van vrouwen de onrechtvaardige situatie niet verholpen, maar slechts verplaatst: in plaats van vrouwen worden dan mannen op grond van oneerlijke criteria benadeeld. Toch is deze aversie onterecht, stelt de Amerikaanse filosoof Stanley Fish in zijn messcherpe essay You can only fight discrimination with discrimination (1994). Want de meritocratische opvatting van ‘rechtvaardigheid’ klopt in theorie misschien wel, maar in de praktijk niet. Want, stelt Fish, „discriminatie is geen probleem in de logica, maar in de geschiedenis”. Daarmee bedoelt hij: een door discriminatie veroorzaakte onrechtvaardige situatie (zoals de achtergestelde positie van vrouwen) is niet op te lossen door op te houden met discrimineren, zoals de logica doet vermoeden. Integendeel, zegt Fish, door niet meer te discrimineren wordt de historisch gegroeide onrechtvaardigheid juist in stand gehouden.

Immers, vrouwen worden dan vanuit hun achtergestelde positie beoordeeld op hun prestaties. In de praktijk heeft dat een oneerlijk gevolg: omdat mannen door hun historische voorsprong meer (kunnen) werken, zijn hun (economische) prestaties hoger en blijft hun bevoordeelde positie dus bestaan. Vrouwen zitten vast in een self-fulfilling prophecy: door hun historisch bepaalde positie werken ze minder, waardoor hun (economische) prestaties achterblijven, waardoor ze minder snel carrière maken. En omdat ze minder snel carrière maken wordt eerder van ze verwacht dat ze hun werk op geven ten gunste van het gezin dan de man. Kortom, door vrouwen op dezelfde criteria – prestaties en ervaring – te beoordelen als mannen, blijft hun achtergestelde positie gehandhaafd.

Volgens Fish kan discriminatie, zoals de titel van zijn essay al verraadt, dan ook alleen worden tegengegaan door te discrimineren. Want, zegt hij, „de hoeveelheid onrechtvaardigheid in de wereld kan nooit teniet worden gedaan, of zelfs maar worden verminderd. Het kan slechts worden herverdeeld.” Maar is het dan niet nog steeds rechtvaardiger om die herverdeling te baseren op ‘verdiensten’, zoals Locke betoogde, in plaats van geslacht (of etniciteit)?

Nee, zegt Fish, want wie zegt dat het geslacht (of etniciteit) van iemand niet ook onder ‘verdiensten’ kan worden geschaard? Normaliter wordt met verdienste altijd impliciet gedoeld op niet-aangeboren eigenschappen, zoals opleidingsniveau, werkethos en ervaring. Maar verdienste is, net als rechtvaardigheid, een vloeibaar begrip, zegt Fish. Wat het precies inhoudt, is volledig afhankelijk van welk belang men ermee wil dienen.

Volgens Fish wordt met het vergeven van een baan op grond van iemands geslacht iemands ‘verdienste’ dan ook niet gecompromitteerd, maar slechts „opnieuw gedefinieerd in relatie tot een andere maatstaf”. Want je kunt ook redeneren, zegt Fish, dat „de aanwezigheid van een vrouw op de werkvloer [of in de directie] een verschil maakt (…) en als dat verschil van grote waarde wordt geacht, dat strookt dat evenzeer met de notie van ‘verdienste’ als bijvoorbeeld het aantal publicaties dat iemand op zijn naam heeft”. Oftewel, ook het vrouw-zijn zelf kan worden gekwalificeerd als merite. Het is geen triviaal gegeven, maar een relevant criterium. Meer vrouwen in een bedrijf of directie betekent immers: grotere diversiteit en betere representativiteit. Ze brengen andere visies, andere omgangsvormen en een andere sfeer met zich mee.

Wie quota per definitie ‘oneerlijk’ vindt, beschouwt het vrouw-zijn dus niet als een op zichzelf te waarderen eigenschap. Maar het vreemde is: de meeste tegenstanders van quota zijn wél voorstander van meer vrouwen in topfuncties. En waarom? Omdat het vrouwen zijn. Zo schreef deze krant in een redactioneel commentaar dat het ongewenst is dat „zo groot deel van de samenleving ondervertegenwoordigd is op invloedrijke posities”. Maar in datzelfde commentaar stond ook dat de indruk moest worden vermeden dat „vrouwen hun benoeming meer te danken hebben aan hun sekse dan aan hun kunnen”.

Hier is, volgens de redenering van Fish, sprake van een innerlijke tegenspraak. Want aan de ene kant wordt het vrouw-zijn zélf als merite beschouwd (omdat directies dan een betere afspiegeling zouden vormen van de samenleving), maar tegelijkertijd mag het vrouw-zijn geen selectiecriterium zijn, omdat vrouwen dan niet op hun merites zouden worden beoordeeld. Met andere woorden: meer vrouwen in topfuncties wordt nastrevenswaardig gevonden, omwille van het feit dat het vrouwen zijn, maar tegelijkertijd mag het geslacht eigenlijk geen ‘criterium’ zijn.

De emancipatiemaatregelen van het kabinet vertonen precies diezelfde dubbelzinnigheid: ze zijn bedoeld om meer vrouwen naar topfuncties te laten doorstromen, maar tegelijkertijd moet selectie op geslacht worden vermeden. Door die halfhartigheid zijn de meeste maatregelen maar weinig dwingend en dus ook weinig effectief. Als het kabinet de vrouw echt als gelijke van de man beschouwt, zit er niks anders op dan haar een schaamteloze voorkeursbehandeling te geven.

Totdat mannen weer aan emancipatie toe zijn.