John en Jezus

In een gesprek met het Amerikaanse tijdschrift Rolling Stone omschreef John Lennon de entourage van de popgroep The Beatles op het hoogtepunt van hun roem als „portable Rome”. Hij verwees naar de orgieën die Titus Petronius had beschreven in Satyricon. Door het andere ‘Rome’, dat van de Paus, was Lennon toen al officieel veroordeeld. Niet voor zedelijk wangedrag à la Petronius – kerkelijk terrein bij uitstek – maar omdat hij de faam van The Beatles had vergeleken met die van Jezus Christus. Nu, na 42 jaar, komt het Vaticaan op die veroordeling terug, niet officieel maar via de Osservatore Romano, de staatskrant van Vaticaanstad.

In een artikel over de 40 jaar oude Beatlesplaat The White Album constateert de krant dat Lennon destijds, als „een jongen uit de Engelse arbeidersklasse”, was overvallen door „onverwacht succes”. Hiermee wordt impliciet gesteld dat de reactie van het Vaticaan overdreven was. Van een excuus is geen sprake, ook niet van een mea minima culpa.

Wat zei Lennon in het interview in de London Evening Standard van 4 maart 1966? Dit, in een passage over zijn op dat moment grote belangstelling voor religie: „Wij zijn nu populairder dan Jezus; ik weet niet wat eerder verdwijnt – rock-‘n-roll of het Christendom.”

In Europa viel niemand erover. Ook het Vaticaan niet. Dat reageerde pas toen Amerikaanse christelijke jongeren de vier Beatles met de dood bedreigden en, op officiële ‘Beatle Burnings’, hun platen en foto’s op de brandstapel smeten. Het Vaticaan distantieerde zich niet van dit extreme gedrag, het legitimeerde het door zich tegen Lennon uit te spreken.

Afgelopen zomer herzag het Vaticaan ook al zijn negatieve oordeel over Elvis Presley.

Hoezo? Geen nabestaande of fan vroeg om deze heroverwegingen van ‘Rome’. Lennon noch Presley was katholiek. Beiden leven niet meer, Lennon werd zelfs als gevolg van zijn roem vermoord. Oftewel: hier wordt meegelift op de solide wereldfaam van artiesten.

Dat komt meer voor. Dat de vriendschappelijke contacten van de toenmalige Tsjechische president Havel met de Rolling Stones breed werden uitgemeten diende hetzelfde doel. Aan de andere kant van het spectrum riep senator en communistenjager senator McCarthy in de jaren vijftig Hollywoodfilmers op om te getuigen, want die stonden garant voor publiciteit. Ook de quasi-absolutie van Lennon dient de propaganda voor de rooms-katholieke kerk.

Maar de lankmoedige houding tegenover Lennon kan alleen serieus genomen worden als het Vaticaan zich beraadt op zijn dreigement om zangeres Madonna Ciccone te excommuniceren. Niet dat iemand uit de pauselijke kringen het had opgebracht om zelf te gaan kijken bij haar ‘Confessions Tour’ (2005), maar het bericht dat ze een van haar songs aan een kruis vertolkte, onderwijl de ramp van de ziekte aids onder de aandacht brengend, was genoeg. Het Vaticaan maakte haar zwart.

Madonna is nu populairder dan John Lennon. En zij leeft.