In de Gouden Eeuw van Haarlem begon de schilder-victorie

Tentoonstelling De Gouden eeuw begint in Haarlem. Frans Halsmuseum Haarlem, tot 1/2.

Niemand wist het beter dan Karel van Mander, de schilder, schilderbiograaf en auteur van een handboek over de regels van de kunst: de kunst volgt het geld. Hij zag het onder zijn ogen gebeuren en nam er zelf in Haarlem aan deel. Na het rampzalige Spaanse beleg van Haarlem in 1573, de verwoestingen en de Spaanse slachtpartijen, herstelde de stad zich niet alleen economisch maar ook cultureel. Schilderkunst en literatuur floreerden en over die schilderkunst gaat de mooie, uitgebreide tentoonstelling in het Frans Hals Museum onder een titel die van stedelijke trots getuigt: ‘De Gouden eeuw begon in Haarlem’.

De expositie, die het hele museum, beslaat toont 130 schilderijen uit de periode 1590-1670. Ze zijn van kunstenaars die kort of lang in de stad hebben gewoond, maar die in ieder geval hun artistieke sporen hebben nagelaten op de Nederlandse schilderkunst. De aanleiding is het afscheid van conservator Pieter Biesboer, die het begeleidende boek schreef.

Haarlem oefende vanaf het eind van de 16de eeuw een reusachtige economische zuigkracht uit. Vooral de bierbrouwerij en de textielindustrie maakten gouden jaren door en met de vele gevluchte Zuid-Nederlandse ondernemers trokken ook schilders en andere hooggeschoolde ambachtslieden naar het Spaarne. En het is waar: het beeld van de 17de-eeuwse Nederlandse schilderkunst wordt in hoge mate bepaald door schilders die hier hun programma hebben uitgewerkt. Geen Rembrandt, geen Vermeer, geen Terborgh, maar wel Frans Hals, Van Goyen, de Ruysdaels, Pieter Claesz en vele anderen.

Frans Hals domineerde decennia: van 1610 tot zijn dood in 1666. Wereldberoemd zijn zijn van leven bruisende portretten: individuele portretten, huwelijksportretten en schutters- en regentenstukken. De Haarlemmer die dit te uitbundig vond, ging naar Cornelis Verspronck, tijdgenoot, maar een veel ingetogener werkende portrettist.

Haarlem is ook de stad van het vroege landschap. De ontdekkers van de lage horizon en de weidse wolkenlucht moeten hier worden gezocht. Aanvankelijk deed zich daarbij de kleurige, deels nog anekdotische Vlaamse invloed gelden, maar omstreeks 1620 trad een versobering door in het palet en in de compositie. Het aantal kleuren werd gereduceerd, de figuurtjes werden minder gedetailleerd weergegeven en versmolten min of meer met de natuur, met de rivieroever, met de duinen, met het kreupelhout.

Deze artistieke omslag is productinnovatie: de schilder hoefde minder verfsoorten te prepareren en kon meer panelen of doeken afwerken in kortere tijd. Van Goyen, met zijn zeer hoge productie, is het extreme voorbeeld. Deze ‘monochrome fase’ in de schilderkunst ziet men ook in het stilleven. Iemand als Pieter Claesz vatte op zijn stillevens zijn uitstallingen van pasteien, tafelgerei, servetten broodjes en zilverwerk in één kenmerkende gedempte atmosfeer.

Het laat zien dat Haarlemse schilders invloedrijke vaklieden waren. Samenvattend zou je wel kunnen stellen dat zij – of de Haarlemse burgers – de voorkeur gaven aan uitgebalanceerd werk, in compositie en koloriet. Eigenzinnige experimenteerders, schokkende onderwerpen, zoekt men hier vergeefs. Het zijn ook rustige schilderijen: een paar boeren raken wel eens slaags, bij Frans Hals lachen de kinderen, iemand zingt een lied, dat is het wel zo’n beetje.

Ongeveer driekwart komt uit de eigen collectie. Enkele bruiklenen bieden een verrassing. Het is prachtig om hier Frans Hals Mann mit Schlapphut uit Kassel tegen te komen, of het mooie landschap van Salomon van Ruysdael uit Boedapest, of het aandoenlijke Pinksterbloemfeest van Jan Steen die tien jaar in Haarlem werkte. Hij betoont zich weer een meester in de uitbeelding van kinderen.

Van Haarlem begon de schildervictorie. Toen het slechter ging met de economie nam ook de artistieke slagkracht af. De textielnijverheid kon zich steeds moeilijker verweren tegen de concurrentie, het Rampjaar 1672 dompelde het hele land in een economische crisis. En zwaargewichten als Frans Hals, Jan de Bray, Johannes Verspronck en Jan van Goyen overleden of waren al lang vertrokken naar steden met een beter economisch perspectief.