Hier werden dus 20.000 auto?s per maand gemaakt

Autofabrikanten stellen dat een crisis bij hen overslaat naar de rest van de economie.

In Janesville, VS, sluit met Kerst de oudste General Motors-fabriek. Een test.

Bij de ingang van de oudste en grootste General Motors-fabriek, 1000 General Motors Drive, Janesville, Wisconsin, hangt een bord. ‘Bel 608-756-7681 voor een rondleiding op het terrein.’ Vier dagen per week, twee keer per dag kunnen bezoekers een uur lang de hallen bewonderen waar zeshonderd robots elke 62 seconden een SUV afleveren.

Tenminste, tot voor kort. Op de website van het stadje staat inmiddels de volgende tekst: We regret to inform you that tours of the Janesville GM plant have been discontinued. We are no longer able to show off the amazing facility that once served as one of Janesville's largest employers.

De fabriek overleefde de Grote Depressie, een Wereldoorlog én twee oliecrises, maar na negentig jaar blijkt de combinatie van kredietcrisis, wereldwijde economische neergang en tanende belangstelling voor SUV’s fataal. Op 23 december sluit de fabriek. Dan mogen óók de 2.600 werknemers niet meer naar binnen. En omdat de productie nog maar een paar honderd auto’s per dag bedraagt, is de fabriek deze week, rond Thanksgiving, alvast gesloten.

Sinds begin jaren negentig werden in Janesville 3,8 miljoen SUV’s gebouwd. Vorig jaar nog rolden er 20.000 SUV’s per maand van de lopende band. Wat betekent de sluiting van de fabriek voor de zestigduizend inwoners tellende stad?

Om die vraag te beantwoorden gaan we naar de andere kant van het verlaten fabriekscomplex, naar restaurant Eagle Inn. Hier zitten Jen, Barb, Mel, Phil, Paul, Don, Fred, Marge en Dale bij elkaar – achternamen zijn nergens voor nodig, ze kennen elkaar toch al jaren? De leeftijden lopen uiteen van 58 tot 82, sommigen komen al twintig jaar in de Eagle Inn. De groep drinkt er vijf keer per dag koffie, eet zelfgebakken taart en wisselt plagerijtjes uit.

Hun achtergrond loopt uiteen. De één is een gepensioneerde van Allied, een transportbedrijf dat de SUV’s van het GM-merk Chevrolet Suburban uit de fabriek naar de dealer bracht. Een ander werkt als klerk op de rechtbank en een derde handelt om het inkomen aan te vullen als 72-jarige zes uur per dag kleine bestellingen af.

Veertien auto’s hebben de negen vrienden samen. Slechts één daarvan is niet-Amerikaans: een Toyota. Dat is niet zo gek: de ‘Grote Drie’ uit Detroit – General Motors, Chrysler en Ford – bieden hun voertuigen in deze streek al jaren met forse kortingen aan. Op dit moment krijg je bij een pick-uptruck de tweede er zelfs gratis bij. Maar de benzine niet.

De negen houden van de producten van de autofabriek. Maar er is ook een keerzijde. Nergens in Wisconsin verdienen fabriekswerknemers zo goed als hier. Het resultaat is dat mensen niet doorleren: waarom zouden ze. En dus is het opleidingsniveau in Janesville lager dan gemiddeld.

Als General Motors het stadje volgende maand verlaat, blijven er duizenden oud-werknemers ongeschoold achter. „Maar wél met een big fancy house, twee auto’s, twee boten, een skimotor en nog meer van die rotzooi”, zegt Mel, die loodgieter is. „En dus vaak met forse schulden.”

Zes van de negen mensen in de Eagle Inn zeggen last te hebben van het vertrek van General Motors. De oudsten zien de waarde van hun pensioenen slinken. Die zijn namelijk gekoppeld aan de beurzen op Wall Street.

Voor Mel de loodgieter maakt het geen verschil: „Ook in een slechte economie verstoppen mensen hun wc”, zegt hij lachend. Barb, de klerk, heeft er ook geen last van. Integendeel: „Het aantal vergrijpen is in een jaar met eenderde gestegen: veel GM’ers zijn gewend alles te kunnen kopen, dus nu pakken ze het maar.” En Marge, die werkt in het plaatselijke ziekenhuis: „Als je hier woont, word je al zo’n beetje depressief. Dat zien we aan onze patiënten.”

Maar net als de meeste inwoners van Janesville hebben ook zij moeite het prijspeil in de stad bij te houden. „In Janesville is alles gebaseerd op wat men bij General Motors verdient”, zegt Barbara. En dat is aardig wat: het bedrijf wordt niet voor niets vaak Generous Motors genoemd.

De machtige vakbond UAW wist het jaarsalaris van een lopendebandwerknemer in Janesville op te krikken tot 54.000 dollar (42.000 euro, ruim bovenmodaal). En de GM-werknemers die straks hun baan kwijt zijn, krijgen de komende twee jaar 95 procent van hun laatste inkomen doorbetaald. (Mits GM niet bankroet gaat, natuurlijk. Dan verandert alles.)

Maar wat gebeurt er na die twee jaar? En wat gebeurt met de bedrijven en werknemers die afhankelijk zijn van de activiteiten van GM in Janesville?

Op naar het gemeentehuis, waar Douglas Venable directeur is van het Economic Development Agency. Het is Venable glashelder: de sluiting van de fabriek heeft op veel meer mensen invloed dan alleen GM’ers.

Venable is verantwoordelijk voor het binnenhalen en de groei van nieuwe bedrijven. Dit doet hij al sinds 1987 en hij meet zijn succes af aan het aantal vierkante meters bedrijfsoppervlakte (met 420.000 vierkante meter gegroeid) en de lokale banengroei (met 4.500 gegroeid). Ironisch toeval: die getallen komen nagenoeg overeen met het verlies aan vierkante meters en banen door het sluiten van de GM-fabriek – en de daarmee samenhangende lokale faillissementen. „Kortom, we zijn terug bij af”, verzucht hij. „Het zal lang duren voordat de plaatselijke economie zich heeft hersteld.”

Venable kan het aantal verloren banen bij de directe toeleveranciers uit zijn hoofd opsommen. Daar gaan we. Lear, fabrikant van autostoelen: had 850 werknemers, heeft er met de Kerst nog nul. LSI, een logistiek bedrijf dat auto-onderdelen van pakhuis naar fabriek vervoerde: gaat van 350 naar nul. SSI, producent van sensoren voor stuursystemen en autosloten: van 300 naar 20. En Allied, dat auto’s naar dealers vervoerde, heeft al honderd van de 150 mensen ontslagen. Tel daarbij de GM-werknemers op en je komt uit op een bedrag van 350 miljoen dollar aan salarissen dat volgend jaar niet uitgekeerd wordt. Venable: „En dat geld wordt dus ook niet uitgegeven in de stad.”

Nóg een stap verder van GM verwijderd, maar net zo afhankelijk van het bedrijf, zit de dienstensector. Neem hotelketen Hampton Inn. De 99 kamers aan de snelweg zaten altijd vol met zakenpartners van GM. Nu nog maar voor eenderde. Of deze zaak, in het stadscentrum: Phones Plus installeert en onderhoudt telefoonsystemen voor ondernemingen. Eén van hun grootste klanten: autostoelenproducent Lear.

Van de twaalf werknemers van Phones Plus zijn er twee vertrokken en niet vervangen. En het gaat hard achteruit. Randy Treibel, verkoper, haalde vroeger in een maand zes nieuwe opdrachten binnen. „Deze maand had ik alleen een paar mógelijke klanten”, vertelt Treibel. „Het begint overal te dagen dat er echt iets aan het veranderen is.”

Ergens tussen het gemeentehuis en het telefoonbedrijf in zit de Sizzlin’ Grill. De diner komt zo uit de film: formica tafels, een lange bar met krukken op glanzende poten. De lokale radiozender WJVL 99.9 staat op, een discjockey probeert op zijn manier de economie aan te jagen: „Keep shopping, people.”

Aan tafel zitten twee Bills: Simmons en Madden. De laatste Bill is tussenpersoon, maar verkoopt al een jaar telkens minder autoverzekeringen. De eerste Bill werkte bij GM en ging op zijn 56ste met pensioen.

„Hoe zijn we in deze rotzooi terechtgekomen”, vraagt de verzekeringsagent.

„Door de hoge benzineprijzen”, antwoordt de gepensioneerde GM’er.

„Maar die prijzen zijn alweer met de helft gedaald. Waarom worden er dan toch geen auto’s verkocht? Denk eens aan de arbeidskosten...”

„...daar wordt aan gewerkt. Volgens mij ging het mis toen we autobedrijven van buiten in Amerika toelieten.”

Het is niet eenvoudig in Janesville iemand te vinden die tégen de overheidsbijdrage is waar de topman van General Motors vorige week in de Senaat om heeft gevraagd. Alles om het autobedrijf in leven te houden, zelfs de overheid is nu welkom zich ermee te bemoeien. „Maar dan moet het Congres wel de regels bepalen”, zegt Bill Madden. „Alleen zo kan het bedrijf concurrerend blijven.” En dan mogen er wat hem betreft wel minder grote, brandstofslurpende auto’s worden gemaakt. Want die tijd is voorbij, denken de inwoners van Janesville – die zelf in overgrote meerderheid in zo’n auto rijden.

Bill Simmons, die een decennium in de plaatwerkerij van GM stond, wordt er „goed droevig” van. „Als ik denk aan al de mensen die ik daar ken. En aan de duizenden keren dat ik door die deuren naar binnen ben gelopen.” Hij krijgt het te kwaad en herinnert zich opeens dat hij een afspraak heeft. Hij mompelt gedag en vraagt of de anderen dat liedje van Johnny Cash kennen. Ze schamperen. Dan niet, zegt Bill Simmons. Zachtjes zingend loopt hij de sneeuw in, naar zijn auto.

This the last cowboy song

The end of a hundred year waltz

The voices sound sad as they’re singin’ along

Another piece of America’s lost