Het instrument van de armoede

Bij de ingang van de Natuurwinkel (‘Smaak zoals de natuur het bedoeld heeft’) op de Elandsgracht in de Jordaan zat een vrouw, een schoteltje voor haar voeten, halverwege de middag accordeon te spelen. Ze droeg een lange jurk met een kort, dun jasje en om haar hoofd een sjaal. Ik schatte haar op nog geen veertig jaar en ze leek me afkomstig, zoals tegenwoordig zoveel straatmuzikanten, uit een of ander Balkanland.

Terwijl de klanten, zonder veel acht op haar te slaan, met hun tassen in en uit de winkel liepen, werkte de muzikante werktuigelijk een saai, vreugdeloos repertoire af. Ze was er niet bij met haar hoofd, ze wilde alleen dat schoteltje zo snel mogelijk vol hebben en dan wegwezen uit die scherpe kilte.

De accordeon is een mooi instrument met een rijke klankkleur, maar onder zulke omstandigheden is het voor mij vooral het instrument van de armoede – geen instrument kan zo hartverscheurend droefgeestig klinken. Je ziet zwart-witfilmbeelden van werklozen op de Bowery in de jaren dertig, ontheemden op het Russische platteland, dronken clochards langs de Seine – en ze spelen óf zelf een deuntje op een afgetrapte accordeon óf de regisseur heeft de scène van stemmige accordeonklanken voorzien.

Met de accordeon, die ook ’s avonds vaak op de Elandsgracht te horen is, lijkt de armoede in de Jordaan weer terug. Die was in de tweede helft van de vorige eeuw door de gevulde hand van de welvaart op de vlucht gejaagd, maar laat nu opeens weer zijn ware gezicht zien: een schoteltje in de kou.

Het kwam misschien ook doordat ik ervoor in de stemming was, zo kort nadat ik in het fotografiemuseum Foam een tentoonstelling van Kees Scherer (1920-1993) gezien had. Scherer kwam uit de Jordaan, hij werd geboren in een alkoofwoning aan de Lijnbaansgracht, toen nog een overvolle, armoedige volksbuurt. De Scherers – pa, ma, drie jongens, een meisje – sliepen met z’n allen op één achterkamertje, met op de gang ernaast de poepdoos die ook door de buren gebruikt werd. Elektriciteit was er niet, gas was te duur voor de verlichting.

„Je was jong en de armoede was vanzelfsprekend”, zei Scherer er later over. „’s Zomers gaf de Jordaan je de indruk van Napels nu.”

Ik haal deze bijzonderheden uit de inleiding die Willem Ellenbroek voor Scherers schitterende fotoboek Beeldverhalen van een straatfotograaf schreef. Dankzij dit boek en de tentoonstelling wordt zichtbaar waarom Scherer zich aan de arme Jordaan kon ontworstelen. Zijn al vroeg ontdekte liefde voor de fotografie – amateur met een Agfaboxje – bracht het beste in hem boven. Hij ging voor de pers werken, maakte reportagereizen en ontwikkelde zich vooral tot een stadsfotograaf die zich met de besten kon meten.

Ik koester een Brunapocket uit 1960 over New York die hij samen met Max Tak maakte. Daar al is Scherer als fotograaf een ware dichter van het licht. In Amsterdam en New York maakte hij voor mij zijn mooiste foto’s. Amsterdam bij avond in de jaren vijftig haalt de eeuwigheid dankzij Scherer.

Nooit vergat hij zijn afkomst. In zijn beste foto’s proef je altijd de smaak van de straat. Die accordeoniste op de Elandsgracht zou hij onvergetelijk hebben gemaakt.