Burgermoed zit niemand in de genen

De prijs die moet worden betaald voor non-conformisme is niet overal even hoog. In een Aziatisch land is verzet moeilijker dan in het Westen, meent Ian Buruma.

Burgermoed is niet zo gemakkelijk te duiden als men zou denken. Bismarck – zo vind ik op internet – gebruikte de term in 1847, toen een familielid verzuimde hem te steunen in een debat in het Pruisische parlement, als volgt: „Moed op het slagveld is bij ons gemeengoed, maar u zult zien hoe vaak het achtenswaardige lieden mankeert aan Zivilcourage.”

Opkomen voor je mening, ook al sta je alleen. Verzet tegen onrechtmatige autoriteit. Op de bres staan voor rechtvaardigheid, ook al loop je persoonlijke schade op. Dit alles valt onder burgermoed. Het heeft een morele, principiële betekenis, en ook een politieke: het verdedigen van burgerlijke vrijheden, en van menselijk fatsoen. Fatsoen klinkt in het Nederlands misschien een beetje moralistisch. Het Engelse woord decency heeft dat minder, en dat is eigenlijk wat ik bedoel.

Professor Cleveringa’s rede op 26 november 1940, 68 jaar geleden, was een schoolvoorbeeld van burgermoed. Daar kan iedereen het over eens zijn. Hij sprak uit hoofde van zijn functie, en hij had de moed om op te staan tegen een onrechtmatige daad van een onrechtmatige, onrechtvaardige, en uiterst onfatsoenlijke autoriteit. En hij deed dit met de verwachting dat hij hier persoonlijk onder zou moeten lijden. Hij had zijn koffer thuis al klaar gezet. Sta je op voor een joodse collega op de universiteit, of houd je je gedeisd in de hoop dat alles verder bij het oude zal blijven. Daar gaat het om. Voor de meesten onder ons, die gelukkig niet zijn geconfronteerd met een onderdrukkende macht, ligt dit zozeer voor de hand dat je je afvraagt waarom in de praktijk zo weinig mensen handelen als Cleveringa. De mate waarin mensen in verschillende landen zich verzetten tegen onderdrukking of bezetting verschilt ook enigszins.

Het feit dat burgers in sommige samenlevingen eerder in opstand komen dan in andere, heeft, denk ik, niets met genen te maken, en alles met geschiedenis. Maar geschiedenis kan niet helemaal los worden gezien van cultuur, en ook niet van religie. Zou het kunnen dat sommige religies zich meer lenen voor verzet en Zivilcourage dan andere – het christendom meer, bijvoorbeeld, dan het boeddhisme? Het is zeker niet ondenkbaar. Christenen hebben een diep geloof in persoonlijke morele plicht. In theorie moet een christen het voorbeeld van zijn heiland volgen en iedere medemens in nood een helpende hand toesteken. Voor boeddhisten, die overigens wel een gevoel van genade kennen, ligt dit minder voor de hand. Alles is illusie, en alles is voorbestemd. Door een wildvreemde te helpen, schep je obligaties, die misschien niet welkom zijn. Toch zijn er in Japan wel voorbeelden van burgermoed, al kwam het betrekkelijk weinig voor.

De prijs die een mens moet betalen voor non-conformisme in een confucianistische maatschappij is heel hoog, niet alleen voor de desbetreffende persoon zelf, maar ook voor familieleden. De traditionele Japanse, Chinese, of Koreaanse samenleving bestaat niet uit individuen met individuele rechten en plichten, maar uit groepen. Straf is daarom vaak collectief. De dwarsligger brengt zijn hele familie in gevaar. Hierdoor wordt de beslissing om verzet te plegen een stuk gecompliceerder. Ook in Europa, onder Duitse bezetting, was het een zeer moeilijke beslissing om een joodse onderduiker in huis te nemen, als men wist dat daardoor ook de eigen familie in gevaar werd gebracht. Hoe zit het met de moraal, als iemand de levens van zijn eigen kinderen riskeert door een vreemde te helpen? In Oost- Azië gold – en geldt in zekere zin nog steeds – hetzelfde ook voor minder dramatische beslissingen.

Religie als inspiratie voor protest komt ook naar voren als seculiere politieke wegen zijn afgesneden. Ook dit zou een reden kunnen zijn voor de hoge vlucht die niet alleen het christendom, maar ook andere religies in het moderne China hebben genomen.

Een christen is morele verantwoording schuldig aan God. Moraal is niet conditioneel, dus niet een kwestie van tijd of plaats, of van persoonlijke verhoudingen. Als Gods woord in conflict komt met het woord van een wereldlijke heerser, dan is alleen gehoorzaamheid aan God geboden. Bovendien zal een goed christen betogen dat gelijkheid en gewetensvrijheid typisch christelijke waarden zijn, waarover men niet relatief mag denken.

Iets dergelijks heb ik vaak van Chinese christenen gehoord. Sommigen zijn er zelfs van overtuigd dat China pas een vrij land kan worden als alle Chinezen zich hebben laten bekeren tot het ware geloof. Ik deel deze overtuiging niet, en ben ook niet van mening dat het christendom een unieke bron is voor burgermoed. Maar helemaal toevallig kunnen die statistieken toch niet zijn. Het zou iets te maken kunnen hebben met de aard van de politieke instellingen in Oost-Azië. In China, en ook in Japan toen de keizercultus heerste, was de grens tussen kerk en staat moeilijk te bepalen. De Chinese (en de moderne Japanse) keizer was een spirituele, zowel als een wereldlijke leider. De legitimiteit van macht in confucianistische landen stoelde niet op verkiezingen, of andere vormen van consensus, maar op morele orthodoxie, op een soort spiritueel dogma. Een Chinese heerser verloor zijn legitimiteit als hij niet meer werd gezien als moreel voorbeeld. Dan kon hij zich niet meer beroepen op het ‘mandaat van de hemel’.

Mao Zedong was in deze zin een typisch Chinese keizer. Het rode boekje was zijn dogma. De maoïst was een strijder voor een nieuwe moraal. En nog steeds probeert de Chinese Communistische Partij haar macht te rechtvaardigen door het opleggen van orthodoxie, die tegenwoordig weer meer weg heeft van confucianistische dogma’s dan die van Marx of Engels. Dit overtuigt een slinkend aantal mensen. Maar het betekent wel dat een dissident een morele autoriteit nodig heeft om hier tegenover te zetten. Sommigen kunnen dit door te putten uit hun persoonlijke burgermoed. Anderen hebben het christendom nodig als een alternatieve bron van autoriteit.

Zo ook, natuurlijk, in de islamitische wereld, met name in het Midden-Oosten. Politieke islam is begonnen als een vorm van verzet tegen seculiere dictaturen. Alleenheersers in politiestaten zoals Egypte, Algerije, en Syrië, worden terecht gezien als immoreel en corrupt. Verzet in deze landen beroept zich op een streng islamitische moraal om een politieke oplossing te bieden.

Maar als islamisme een vorm van verzet is tegen seculiere politiestaten, hoe zit het dan met diegenen die zich verzetten tegen de bittere onverdraagzaamheid van de politieke islam? Zulke mensen zijn er zeker binnen de islamitische gemeenschap. Sommigen zijn wereldberoemd: Taslima Nasreen, de schrijfster uit Bangladesh, of de Egyptische Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz.

Vaak wordt geklaagd door niet-moslims over het relatief kleine aantal moslims dat een stem durft te verheffen tegen de militante islam. Het zijn er inderdaad niet veel. Maar in plaatsen, of tijden, waar bepaalde meningen alleen met doodsgevaar kunnen worden geuit, is het aantal mensen dat bereid is dit te doen, altijd klein. Ook buiten de islamitische wereld, in Europa bijvoorbeeld, is het niet gemakkelijk. In de eerste plaats worden moslims die zich openlijk keren tegen het islamitisch extremisme vaak bedreigd. En onder omstandigheden waarin een religieuze minderheid toch al onder druk staat wordt een principieel protest in eigen kring vaak gezien als een vorm van verraad. Het vergt veel grotere moed om kritiek te leveren op mensen met wie men door een meerderheid wordt geassocieerd, dan om dat van buitenaf te doen.

De man of vrouw die de emoties van de eigen groep trotseert neemt niet alleen een groot risico, maar doet dat ook in eenzaamheid. Dat is het verschil tussen een moslim die protesteert tegen de uitwassen van zijn eigen geloof, en een politicus die datzelfde geloof aanvalt en verdacht maakt om meer populariteit te vergaren. Ook Geert Wilders staat onder druk, en wordt bedreigd om zijn opinies. Een zekere moed kan men hem niet ontzeggen, en wellicht is hij oprecht overtuigd van zijn missie om de islam uit Nederland te bannen. Maar burgermoed zou ik het niet noemen.

Als moslims, of christenen, of wie dan ook, trachten de vrijheid van anderen met geweld te onderdrukken, dan moeten wij ons daartegen verzetten, en niet alleen om westerse waarden te beschermen. Als de behoefte aan vrijheid een universele behoefte is, en daarvan ben ik overtuigd, dan is de burgermoed die nodig is om vrijheid te verdedigen ook universeel. Dit is een kwestie van menselijke waardigheid, van decency. Wat dit betreft maakt het geen verschil of iemand handelt uit christelijke, islamitische, boeddhistische, of puur seculiere motieven. Cleveringa stond op voor dezelfde principes, en dat is waarom wij hem eren.

Ian Buruma is hoogleraar Democratie, Mensenrechten en Journalistiek aan het Bard College in New York. Dit is een bekorte versie van de Cleveringalezing die hij vandaag in Leiden zou uitspreken.

De volledige tekst is te lezen op nrc.nl/opinie