Vooral roezige en grillige gedichten

‘De canon van de Europese poëzie’ is vaak ‘Obelix-poëzie’: breed en vervoerend.

Maar het geheel verveelt geen moment.

Denk ik aan Ezra Pound, dan denk ik aan lange moeilijke gedichten. Aan zijn Pisaanse Canto’s. Los onder elkaar gezette regels, zonder rijm of structuur, vol citaten en geleerde toespelingen op andere literatuur, uit allerlei tijden en talen. Pound kwam uit Amerika, maar woonde en werkte het grootste deel van zijn leven in Europa. Je zou hem vanwege al die klassieke citaten en toespelingen een bij uitstek moderne Europese dichter kunnen noemen.

En je zou hem dan ook verwachten in De canon van de Europese poëzie, de bloemlezing van vijfhonderd Europese gedichten die iedereen volgens Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries gelezen zou moeten hebben. Hij komt er ook inderdaad in voor, met één van die Pisaanse canto’s. De vierentachtigste, om precies te zijn: drieënhalve bladzijde lang, vol Engelse, Griekse en Italiaanse citaten, plus ook nog enkele Chinese karakters, alles helaas zonder enige toelichting. Het staat wel goed, en bijster intellectueel, zo’n canto vol cultureel verantwoorde samples, maar ik kan er geen chocola van maken.

Het zou me moeten ergeren, maar dat doet het toch niet, omdat in dezelfde bloemlezing nog een ander gedicht van Pound voorkomt. Het heet ‘Oude muziek’ en het is speciaal voor deze bloemlezing vertaald, door Gert Jan de Vries. Net als bij Pound moet die vertaling als een middeleeuws volksliedje klinken, en daarom is ook hier een quasimiddeleeuwse spelling gebruikt:

Die winter is ghecoomen,

Goddomme, sing nu luyt,

Rhegen drupt in vollen grup,

Die storm cleedt ons uyt.

Sing: Goddom!

Weeghen glad en busje spat,

’t Ghebeente groeyt my krom,

Rivier bevriest, stedeling niest,

Verdomme, singh goddom.

En zo gaat het nog een paar regels door, vol gevloek over het invallen van die ellendig natte en koude winter. Daar is geen voetnoot of toelichting bij nodig.

Het geval Pound is een aardig voorbeeld van de vrijheid die Pfeijffer en De Vries zich bij het samenstellen van hun canon hebben gegeven. Nog een voorbeeld. Het is een gedicht over een jongen. Elke ochtend, om kwart over zeven, begeeft hij zich naar de dierentuin in Amsterdam om daar een giraf een suikerklontje te gaan geven. Daartoe moet hij op een trap gaan staan. Hij maakt dan van de gelegenheid gebruik om wat met zijn grote lievelingsdier te babbelen, over van alles en nog wat: ‘’k Moet je nog veel meer vertellen: / ik kan al drie letters spellen: / a b c, is dat niet knap? / Ik kan ook al bijna rekenen! / Ik kan mooie poppetjes tekenen!’

Het is een ontroerend gegeven. Het dier is zo aardig om de jongen, als hij daarom vraagt, toe te staan zijn lange giraffenek als glijbaan te gebruiken. U kunt zelf misschien al wel raden hoe het met dit liedje afloopt. Het gaat helemaal goed, ‘met een vaart’, helemaal ‘tot aan ’t kwastje van de staart’, maar daarna moet de tekst toch de trieste afloop melden. Eerst ‘Boem!’ en dan ‘Au!!’

Misschien komt het gegeven u bekend voor. Dit is inderdaad de kinderklassieker Dikkertje Dap van Annie M.G. Schmidt. Behalve moeilijke en makkelijke verzen, en verzen van een Amerikaan, horen er volgens Pfeijffer en De Vries blijkbaar ook Nederlandse, en zelfs kinderverzen thuis in de Europese poëziecanon.

De canon van De Vries en Pfeijffer begint, zoals te verwachten was, bij de Grieken. De grote namen: Homerus, Hesiodus, Alkman, Semonides, Sappho, en zo verder. Pas zeven eeuwen en vele bladzijden later melden zich de eerste Romeinen: Lucretius, Catullus, Horatius, Vergilius. Na nog weer eens zeven eeuwen en vele bladzijden bevinden we ons voor het eerst buiten Griekenland en Italië: in het Ierland van Llywarch Hen. En na nog weer eens vier eeuwen zijn we, rond het jaar 1000, in het Engeland van Beowulf en het IJsland van Egill Skallagrímsson. Daarna volgen Duitsland, Frankrijk, Rusland, Italië, Spanje, Nederland, België, en zo heel Europa. Naarmate het heden dichterbij komt, krijgt de Europese literaire traditie meer vertakkingen, en verplaatst zij zich ook meer buiten Europa: naar Noord-Amerika, Mexico, West-Indië, Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland en Australië.

Al die continenten en landen mogen hier meedoen, met een of meer (maar ook weer niet te veel) dichters. Dat is mooi, en ruimhartig, maar de begrenzing is toch ook wel wat willekeurig en wordt in het lollige voorwoord niet erg goed verdedigd. Waarom mocht de Bijbel eigenlijk niet meedoen? Er is weinig poëzie die zo veel invloed heeft gehad op de Europese poëzie. En de klassieke Arabische (en Perzische) dichters, die in de Middeleeuwen via Spanje doordrongen in de troubadourslyriek?

Daar staat tegenover dat hier ook heel veel gedichten zijn opgenomen waarvan de gemiddelde Europeaan nog nooit zal hebben gehoord. Ik noem de grote Albanese dichter Gjergj Fishta (1871-1940), van wie we meteen maar even een bijna vijf bladzijden tellend fragment uit zijn grote epos De lahuta uit de bergen krijgen voorgeschoteld. Een gedicht van vier bladzijden van de tot nu toe bij mij nog niet bekende Griek Nikos Gatsos (1911-1992). En een net zo lang gedicht van de Roemeen Alexandru Musina (1954). Een lekker fragment van vijf bladzijden uit de zestiende rune van de Finse ‘Kalevala’.

Het lijkt wel alsof Pfeijffer en De Vries hun correspondenten in de Europese buitengewesten hebben gevraagd om vooral lange, brede, zo veel mogelijk bijna van de bladspiegel aflopende, inhoudelijk een beetje zwalpende en volop vervoerende verzen te vertalen en in te sturen, dus niet van dat benauwde. Obelixpoëzie.

Het gemiddelde gedicht in deze bloemlezing heeft een lengte van anderhalve bladzijde. Dat geldt voor de relatief onbekende dichters, maar ook voor de bekendere. Jevtoesjenko, Majakovski, Hölderlin, Joyce, Ginsberg: er is hier veel aandacht voor de meer roezige, grillige, surrealistische onderstroom in de Europese poëzie.

Intussen zijn alle grote namen die je zou verwachten ook gewoon opgenomen, en de meesten met het maximale aantal van drie gedichten, zoals Goethe, Dante, Eliot, Poesjkin, Kavafis, Dickinson, Shakespeare. Bij de toppers zitten geen Vlamingen, wel twee Nederlanders: Vondel en Lucebert. Pfeijffer en De Vries geven in hun voorwoord toe dat de Nederlanders (ruim veertig) en de Vlamingen (meer dan tien) oververtegenwoordigd zijn, maar zo te zien hadden ze ook weer niet veel zin om daar al te moeilijk over te gaan doen. (‘Zo. De vorige alinea was wel een heel knappe poging om het allemaal een beetje objectief te laten lijken, al zeggen we het zelf.’)

Veel verrassingen bevat hun keus uit de Nederlandse poëzie niet. Waarom kiest iedereen van J.H. Leopold altijd maar weer dat lijzige ding over die peppels die om mijn oud woonhuis staan? En van Beets de moerbeitoppen? En van Hendrik de Vries altijd maar weer ‘Mijn broer’?

Ik weet niet goed wat ik van deze enorm dikke Canon van de Europese poëzie moet vinden. Er zit een gymnasiale kant aan, en een volkse kant: de intertekstuele canto’s van Pound, en daarnaast het gevloek van diezelfde Pound. De verantwoording is theoretisch niet sterk, de keuze is niet erg consequent, maar de praktijk verveelt geen moment.

Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jande Vries (sam.): De canon van de Europese poëzie. 500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben. Meulenhoff. 768 blz. € 19,95. Een gebonden, meertalige editie van 1.552 blz. volgt op 26 januari en zal € 79,95 kosten.