Moderne kunst voor burgers verklaard

Tentoonstelling: XXste eeuw. T/m 1 maart. Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Di t/m zo 11-17u. **

Sinds het najaar van 2000 is Wim van Krimpen directeur van het Haags Gemeentemuseum, en op 1 januari zit het erop. Dan verlaat de ex-galerieman het museum. De afgelopen jaren zijn niet zonder slag of stoot voorbij gegaan. Onder Van Krimpens leiding veranderde het Gemeentemuseum van een wat verstilde plek tot een geolied bedrijf waar de tentoonstellingen elkaar in sneltreinvaart afwisselden. Er kwam meer publiek dan ooit naar de Stadhouderslaan, maar er kwam ook kritiek. Want aan tentoonstellingen over Picasso of Lucian Freud – hoe mooi ook – kon tenslotte geen museumdirecteur zich vertillen. Waar bleef de visie van Van Krimpen zelf? En: wat wílde hij eigenlijk met de vaste collectie van het museum, behalve haar op reis sturen en er geld mee verdienen?

Nu is er Van Krimpens afscheidstentoonstelling, sobertjes XXste eeuw genoemd. Met deze expositie lijkt het alsof Van Krimpen zijn critici eindelijk tevreden stelt. Eindelijk namelijk krijgt de eigen collectie van het Gemeentemuseum de aandacht waar ze zo lang naar heeft gesnakt.

De tentoonstelling is een balans van zo’n 125 jaar kunst en kunstaankopen en ligt als een reuzenwaaier uitgespreid over twee verdiepingen van het museum. XXste Eeuw is daarmee een duidelijke vingerverwijzing naar de legendarische afscheidstentoonstelling La Grande Parade van Edy de Wilde in 1984 in het Stedelijk Museum. Maar het Haags Gemeentemuseum is niet het Stedelijk. Met uitzondering van zijn wereldberoemde collectie Mondriaans – in 1971 uit een legaat verkregen heeft Den Haag altijd een duidelijk burgerlijke statuur gehad. Als gevolg daarvan werd er veel kunst van eigen bodem aangeschaft, veel Haagse School, Toorop, Van Heemskerk, veel kunstenaars die snuffelden aan moderne stromingen maar zich er nooit totaal in onderdompelden. Met niet-figuratieve kunst, of ze nu uit de eerste of de tweede helft van de twintigste eeuw dateert, en of ze nu schilderkunst, fotografie, of videokunst betreft, kon en kan het museum weinig aanvangen.

En daarmee schaart Van Krimpen zich in een traditie. Want ook zijn aankopen – willekeurig verspreid over de tentoonstelling – kenmerken zich door het comfortabele onderbuikgevoel dat de werken van Haagse schilders Blommers, Maris en Roelofs oproepen. De video waarin Fiona Tan zichzelf oplaat aan een cluster rode ballonnen veroorzaakt zo’n ‘ach-ja-mooi’-gevoel. Hippe Duitse schilders als Daniël Richter, Léopold Rabus en Anton Henning schmieren heerlijk met verf. En van de generatie jonge portretfotografen komen de inmiddels alom bekende namen voorbij: Koos Breukel, Hellen van Meene, Desiree Dolron. De enkele abstracte aankopen die Van Krimpen voor veel geld deed, zoals een wandreliëf van Frank Stella of een video-toren van Nam June Paik, komen over als Fremdkörper in de collectie – alsof er gauw nog wat gaten gevuld moesten worden.

In het voorwoord van het boek bij de tentoonstelling noemt Van Krimpen XXste Eeuw ‘de meest radicale evaluatie van het eigen beleid ooit’. Maar dat is niet omdat de burgerlijke statuur van het museum onbarmhartig wordt uitgelicht. ‘Radicaal’ is de tentoonstelling, aldus Van Krimpen, omdat de kunst tegen de achtergrond van grote en kleine historische gebeurtenissen in de twintigste eeuw wordt getoond. De Beurskrach op Wallstreet in 1929, de ontdekking van het onderbewuste, de twee wereldoorlogen, de eerste stoomtrein naar Walcheren, de Russische Revolutie en de Val van de Muur – „geen enkel mensenleven werd onberoerd gelaten”.

En zodoende blijft ook de kunst niet buiten schot. Op de tentoonstelling vatten zes audiovisuele presentaties vlotjes de historische ontwikkelingen samen en laten soms zien hoe de kunst zich in die ontwikkelingen voegde. Vooral in het begin van de tentoonstelling werkt dat goed, waar de nieuwe eeuw van start gaat met filmbeelden van stoomtreinen, paardentrams en hondenkar. De mannen en vrouwen op dit bewegend archiefmateriaal zijn nog sterk geworteld in de negentiende eeuw. Hun kleren zijn somber, ze dragen hoeden en overjassen, en er wordt zelden gelachen naar de camera. Die filmbeelden contrasteren scherp met de luministische experimenten die Mondriaan en Toorop in dezelfde periode op Westkapelle uitvoerden. Wie de roze en blauwe Vuurtoren bij Westkapelle of Duin II van Mondriaan ziet, is altijd weer verbluft door de durf en vernieuwingsdrift van de kunstenaar. De geschiedenis is letterlijk een mysterie – en daarom past René Daniëls’ blauwe Historia Mysteria (1983-1985) zo goed in deze zaal. Want wie de historische beelden ziet, heeft het raadsel van de kunst nog niet verklaard.

Toch probeert Van Krimpen dat in de rest van de tentoonstelling, en dat is het grote manco aan XXste Eeuw. Kunst moet verklaard, nog eens en nog eens, en dat liefst op een zo gelikt mogelijke manier, met veel geluid en bewegend beeld. Op XXste Eeuw wordt de bezoeker allereerst aan de hand genomen door een fictieve twintigste-eeuwer, die z’n best doet om moderne kunst te begrijpen. Deze burgerman heeft weinig op met ‘oorspronkelijkheid’. „Ik ben geen vereerder van nieuwigheden als kubisme, nationaal-socialisme en inkomstenbelasting”, zegt hij, „maar Mondriaan heeft wel stijl.” En als er een aantal zalen verderop in een bejaardentehuis met chocolademelk wordt ‘geschilderd’, weten we: deze alter ego is er voor ieder die schrik heeft voor moderne kunst.

Daarbij zijn de audiovisuele presentaties soms zo algemeen, dat ze eerder uit nostalgisch oogpunt gekozen lijken dan vanuit de wens om de kunst te duiden. Omgekeerd wordt de kunst gereduceerd tot oppervlakkige franje. Rob Birza’s schilderijen van radicale moslims zijn niet meer dan aanhangsels bij archiefbeelden uit de loopgraven van 1914-1918 en de Russische Revolutie. En wat doet het danseresje van Degas naast een labyrinthische constructie van Tobias Rehberger?

Wat werkelijk van belang is, wordt helaas nauwelijks geduid op XXste Eeuw, en bijzaken worden opgediend als smeuïge soep. Het treurigste bewijs daarvan vormt de zaal met Mondriaans Victory Boogie Woogie. Jazzmuziek klinkt uit luidsprekers, avondjaponnen uit de jaren twintig en dertig hangen op paspoppen. Mondriaan hield van jazzmuziek en dansen, en inderdaad, dat soort jurken droegen de dames toen.

Als het aan Van Krimpen ligt, hoeft de toeschouwer zich nog maar weinig zelfstandig voor te stellen bij een kunstwerk, en zijn alle raadsels in de kunst en de geschiedenis opgelost. Een mooie tijd dus om te gaan.