Logisch dat Europa verward is

Een federaal Europa lijkt verleden tijd. De financiële crisis laat zien welke gevolgen dat heeft: EU-lidstaten dienen vooral hun eigen economische belang, stelt Ben van der Velden.

Sinds de verwerping van het Europees Grondwettelijk Verdrag door Frankrijk en Nederland in 2005 beschouwen veel politici van de Europese Unie het streven naar een federaal Europa als iets van het verleden. Tegenwoordig gaat het vooral om samenwerking tussen natiestaten.

Duidelijker dan bij de wereldwijde financiële crisis kunnen de negatieve consequenties hiervan moeilijk worden aangetoond.

In de jaren negentig van de vorige eeuw werd nog aangenomen dat de in 1991 in het Verdrag van Maastricht vastgelegde Economische en Monetaire Unie met de gemeenschappelijke munt, de euro, vanzelf tot verdere Europese integratie zouden leiden. Maar toen dit najaar de beurzen instortten en banken op de rand van het faillissement balanceerden, bleek weinig van de voorspelde convergentie van het economisch beleid van de Europese landen. Nederland kreeg ruzie met België. Spanje nam eigen maatregelen. Ierland maakte de Duitse Bondskanselier Merkel woedend. En kleine landen werden kwaad toen de Franse president Sarkozy als voorzitter van de Europese Unie alleen regeringsleiders van grote landen voor overleg in Parijs uitnodigde.

De Europese landen besloten allemaal hun best te doen om te voorkomen dat hun banken onderuit zouden gaan. De Europese ministers van Financiën werden het eens over garanties voor spaartegoeden, hoewel het echte probleem draaide om de banken die elkaar niet vertrouwden en daarom bij elkaar geen geld konden lenen.

Zo’n hok met fladderende kippen steekt vreemd af tegen de achtergrond van het wereldwijd erkende succes van de gemeenschappelijke munt, de euro. Maar omdat Europa van integratie naar samenwerking was overgestapt, kon de Europese politiek bijna niet anders dan verward reageren. De voorzitter van de Europese Commissie, Barroso, zei dat hij niet met voorstellen voor de aanpak van de financiële crisis kwam, omdat de lidstaten alles zelf willen doen.

Toen de beurzen verder inzakten leek Europa in te zien dat het zo niet langer ging. De leiders van de vijftien eurolanden en van Groot-Brittannië kwamen in Parijs bijeen en namen besluiten om het vertrouwen van de financiële markten te herstellen. De internationale pers juichte over deze plotselinge Europese eensgezindheid. Maar typerend voor die Parijse besluiten was dat er geen enkele gemeenschappelijke maatregel bij zat. Alles moest op nationaal niveau gebeuren.

Kort daarna kwamen al de eerste problemen. Frankrijk kondigde steunmaatregelen aan voor de nationale auto-industrie, die Duitsland als concurrentievervalsing beschouwde. Daarna maakte ook Duitsland plannen voor steun aan autofabrikanten en werd de Europese Commissie onder druk gezet om de concurrentieregels van de Europese markt even te vergeten.

Bij de voorbereiding van de Europese inbreng bij de top van de G20 in Washington, bleek er opnieuw een meningsverschil. De Duitse Bondskanselier Merkel reageerde allergisch op het Franse voorstel voor een economische regering voor het eurogebied. Frankrijk komt telkens terug op dat oude idee, dat voor de invoering van de euro in de jaren negentig met Nederlandse steun werd afgeschoten. De vrees bestaat dat zo’n economische regering de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank zal aantasten.

Waar was de kort geleden ontdekte Europese eensgezindheid?

In 1990 stelden de toenmalige Duitse Bondskanselier Kohl en de Franse president Mitterrand voor om tegelijk met de Economische en Monetaire Unie, een Politieke Unie te beginnen. Het doel was onder meer om ‘eenheid en coherentie van het economisch, monetair en politiek handelen’ van de Europese Unie veilig te stellen. Maar tegelijk een gemeenschappelijke munt én een politieke unie bleek te veel te zijn voor het Verdrag van Maastricht.

Daarna groeide de overtuiging dat de economische politiek van de landen van het eurogebied vanzelf op één lijn zouden komen. Maar de Europese landen hebben financieel geen vertrouwen in elkaar. Ze zijn als de dood dat ze moeten opdraaien voor financiële losbandigheden van anderen. De nationale financiën zijn ook de machtbasis voor nationale politici. Zij kunnen kiezers lokken met financiële beloften. Als het economisch tegenzit, neemt de druk toe om meer geld uit te geven dan begroot is.

Daarom is het ontbreken van politieke eenheid een blijvend risico voor de euro. De vroegere Britse premier Thatcher vond, net als overtuigde Europeanen, dat één munt uiteindelijk één economische politiek en één regering impliceert. Om die reden was zij geen voorstander, maar juist tegenstander van de euro.

Sinds 2005 is het gebruik om met de bestaande situatie zonder politieke unie tevreden te zijn. NRC-columnist Luuk van Middelaar schreef over de Europese reactie op het inzakken van de financiële markten: „Rommelig, maar het werkt.” De overwegingen van de grondleggers van de euro en tegenstander Thatcher zijn kennelijk vergeten.

Dit is een bekorte versie van een gastcollege van Ben van der Velden, voormalig correspondent van NRC Handelsblad in Brussel, vanmorgen aan het Instituut voor Internationale Betrekkingen en Europese Integratie van de Universiteit van Utrecht.

Lees de volledige tekst op nrc.nl/opinie