Het doel, de hulp en de heilige middelen

Nederland haalt sinds jaar en dag zijn doelen voor ontwikkelingshulp. Maar het draagvlak daarvoor wankelt, en de dreigende recessie help ook niet.

Westerse industrielanden zijn niet de enige die worden getroffen door de kredietcrisis en de verwachte economische recessie die daarop volgt. Ook de opkomende landen als China en India, die zich aanvankelijk immuun waanden voor de gevolgen van de kredietcrisis, krijgen grote problemen. Maar hoe zit het met de ontwikkelingslanden? De armste landen kregen eerder dit jaar de sterk gestegen voedsel- en energieprijzen al voor hun kiezen – hoewel die inmiddels al weer zijn gedaald – maar moeten vrezen voor nog meer onheil. Het inzakken van de wereldhandel is er één voorbeeld van. Dan zijn er de buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden, die vorig jaar volgens de Wereldbank nog een record van 470 miljard dollar haalden. Gevreesd wordt dat die behoorlijk zullen teruglopen, nu westerse investeerders thuis krap komen te zitten en hun investeringen uitstellen.

Twee weken geleden schetste de Wereldbank een alarmerend beeld van de overboekingen naar huis door werknemers in het buitenland. Deze remittances zijn, met een verwachte hoeveelheid van 283 miljard dollar, na de investeringen de belangrijkste buitenlandse bron van inkomsten. In een somber scenario schetst de bank dat ze kunnen dalen tot 267 miljard dollar in 2009, om erna nauwelijks te herstellen tot 270 miljard in 2010. Dat is een daling van 1,8 procent naar 1,4 procent van het bruto binnenlands product.

De lijst met potentiële ellende is niet af. Microfinanciering bijvoorbeeld was de laatste jaren zeer populair als middel voor het bevorderen van ontwikkeling. Maar er zijn tekenen dat de schulden die springplank moesten zijn naar meer welvaart, de kleine debiteuren nu als last op de schouders drukken. En dan is er nog de post met traditioneel de meeste aandacht: ontwikkelingshulp.

In 2007, zo berekent de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO, de club van rijke industrielanden), bedroeg de totale officiële ontwikkelingshulp mondiaal 116 miljard dollar. Dat is 0,28 procent van het bruto nationaal inkomen (bni), dat in de praktijk niet zo gek veel afwijkt van het bruto binnenlands product. Nu werd er in 2005, onder de begeleiding van veel popmuziek, plechtig beloofd door de leiders van de G7 dat er in 2010 50 miljard dollar zou zijn bijgekomen ten opzichte van de hulp van 2004. Dat lukte aanvankelijk best: de hulp ging omhoog naar 0,33 procent van het bni in 2005, maar is in 2007 al weer teruggevallen tot 0,28 procent. Wie de plannen van de afzonderlijke donorlanden meerekent, stelt de OESO, komt op een stijging van de hulp met 20 miljard dollar per 2010. Er is dus nog 30 miljard tekort ten opzichte van de beloften.

Met de gevolgen van de kredietcrisis en de recessie voor de deur kan het percentage vermoedelijk alleen maar verder tegenvallen. Het officiële doel: 0,7 procent van het bruto binnenlands product wordt intussen steevast slechts gehaald of overschreden door een vijftal landen. Dat zijn Noorwegen, Zweden, Luxemburg, Nederland en Denemarken. Voor sommige landen is het percentage zeer laag. Japan bijvoorbeeld, dat slechts 0,17 procent reserveert voor ontwikkelingshulp, geeft maar 1,5 miljard dollar meer uit dan het veel kleinere Nederland.

Deze praktijk heeft inmiddels bijgedragen tot een discussie in Nederland over het heilige doel van 0,7 procent van het bni dat aan ontwikkelingshulp moet worden besteed. Minister Koenders (Ontwikkelingssamenwerking) riep twee weken geleden zijn EU-collega’s bij elkaar omdat hij vreesde dat de geloofwaardigheid van alle toezeggingen de hulp te verhogen in het geding was als er geen nieuwe afspraken kwamen van de lidstaten om de hulp daadwerkelijk op te voeren. Hij boekte resultaat, in de vorm van een toezegging van de EU-landen om de 0,7 procent in 2015 nu ook echt te gaan halen. Dat wordt nog lastig: Italië zit bijvoorbeeld nog maar op 0,19 procent, en zou de hulp met 10 miljard euro moeten verhogen vanaf het huidige peil van 4 miljard om het doel te halen.

De vraag is nu of het doel van 0,7 procent van het nationaal inkomen nog wel reëel is. Dat hangt niet alleen af van de discussie over de effectiviteit van de hulp, hoewel die volgens diverse onderzoeken fors omhoog moet. Het hangt er ook van af of ontwikkelingshulp überhaupt wel effectief is, en onder welke omstandigheden deze al of niet moet worden verleend. Daar zijn veel ideeën over: zo zou volgens sommige kenners de hulp nooit meer dan een bepaald deel van de begroting van een ontwikkelingsland mogen uitmaken. Daarmee wordt het kwantitatieve doel verlegd van de gever naar de ontvanger.

Maar het gaat ook om de strategie zelf. Is 0,7 procent als doel op zich een goede aansporing voor donorlanden om meer te doen, ook al is duidelijk dat het nooit zal worden gehaald? Of werkt zo’n onhaalbaar doel alleen maar verlammend en demotiverend? Deze discussie is ook belangrijk voor Nederland. Want het draagvlak wordt de laatste jaren steeds dunner.

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel