Hemel

Is Herman Kuiphof nu in de hemel? Om in de hemel te komen moet je er in geloven. Het is me niet bekend of Kuiphof het bestaan van een hemel ooit in overweging heeft genomen.

Een dag na Herman Kuiphof overleed Pierre Huyskens, een minstens even groot maar net iets minder bekend icoon van de Nederlandse sportjournalistiek. Huyskens vertoeft zeer zeker in de hemel. Hij geloofde er heilig in.

Ik kan me voorstellen dat de ontvangende partij, laten we haar God noemen – de god van de katholieken in dit geval, Huyskens aan de Grote Poort opwachtte met de woorden: „Welkom, Limburgse clown. Ginds staat je bed. Neem het er voorlopig van.”

Mijn ochtendkrant De Limburger bracht op 21 november een vrij uitgebreide necrologie. De koortsachtige carrière is om van te duizelen. Hij was sportjournalist, en nog veel meer. Een kleine greep. Voor Elsevier was hij parlementair verslaggever. Bij dit weekblad schopte hij het halverwege de jaren tachtig tot adjunct-hoofdredacteur. Op de internetpagina van Elsevier lees ik: „Omdat hij te veel schnabbelde, soms zonder medeweten van de hoofdredactie, moest hij eind jaren tachtig weg.” Zijn royale gebaren werden niet in alle windstreken begrepen.

Hij produceerde aan de lopende band teksten voor carnavalsliedjes, bonte avonden en revues. In Roermond was hij voor drie dolle dagen aanvoerder van de gemeenschap als de pseudodemocratisch gekozen prins carnaval van D’n Uul.

Huyskens schreef, met het glas in de hand, een kerkmis in het Maaslands dialect.

In 1985 ontving hij de Orde van de Gulden Humor, de trofee van de gezamenlijke Limburgse carnavalsverenigingen. Hiermee schaarde hij zich in het illustere gezelschap van een Joseph Luns, een Godfried Bomans, en een Toon Hermans. In 1991 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

‘Scribent met een gouden pen’, stond als kop boven de necrologie in De Limburger. Terecht. Wanneer Pierre Huyskens schreef, zweeg het woud.

In 1973 verscheen ‘Hier is ’t’, de biografie van Kees Pellenaars, geschreven door Huyskens. Ik herinner me dat ik het, als bevroren tussen de schappen van de bibliotheek staand, heb verslonden.

Natuurlijk is de biografie ook meteen een hagiografie. Met een sardonisch plezier wordt de ‘woesteling’ die op de fiets aan de schrale zandgrond van het vooroorlogse Terheijden probeert te ontsnappen gefileerd. De grote ploegleider van de jaren vijftig wordt van megalomane trekken voorzien. Hij laat hem vallen, maar raapt hem ook weer op. Wat heet.

De biografie eindigt met een serie brieven waarin Pellenaars zijn sportieve nalatenschap overdraagt aan een nog onbekende opvolger. Die brieven, geschreven in deik-vorm, ontroeren me nog steeds. Huyskens voorziet zijn rauwe, ongeciviliseerde huisvriend van een nieuwe taal waaruit het vooroorlogse Terheijden is weggefilterd.

Iemand moet het doen, zal Huyskens gedacht hebben, met een god die zich heeft opgesloten in een verre hemel.