Graffiti op de muur brengt straatroof dichterbij

Waar mensen zichtbaar een regel aan hun laars lappen, worden ook andere regels overtreden. Drie Groningse sociologen hebben de ‘kapotte-ruitentheorie’ getest én verbeterd.

Het verhaal begint in de mean streets van New York en eindigt op een Groningse parkeerplaats. In 1982 formuleerden de Amerikaanse criminologen James Wilson en George Kelling een theorie over de manier waarop criminaliteit zich verspreidt. Deze ‘Broken Windows Theory’ werd snel populair bij stadsbestuurders en misdaadbestrijders, maar wetenschappers hadden hun twijfels. Drie Groningse sociologen hebben de theorie nu voor het eerst experimenteel getest. De resultaten van hun onderzoek staan deze week in het tijdschrift Science.

Volgens de kapotte-ruitentheorie zien mensen fysieke blijken van wanorde in een buurt, zoals gebroken ruiten, graffiti op muren en afval op straat, als een teken dat niemand de leiding heeft en dat alles kan. Zo leidt klein ongerief tot ernstige vergrijpen als straatroof en geweldpleging.

De ideeën van Wilson en Kelling zijn in de jaren tachtig en negentig in praktijk gebracht in New York, dat toen een misdaadgolf beleefde. De directeur van het stedelijke vervoersbedrijf begon in 1986 graffiti in metrowagons te verwijderen. En de chef van de stedelijke spoorwegpolitie pakte vanaf 1990 zwartrijden en wangedrag in de metro keihard aan. In de loop van de jaren negentig daalde het misdaadcijfer in New York met de helft. Menigeen zag dit als een bevestiging van de kapotte-ruitentheorie.

In vakkringen bleef de theorie omstreden. Siegwart Lindenberg, hoogleraar sociologie in Groningen en één van de auteurs van het Science-artikel, noemt twee zwakke plekken. „Er was geen empirische ondersteuning voor de theorie. Het New Yorkse beleid kan niet worden beschouwd als experiment, want het vond niet plaats onder gecontroleerde omstandigheden. En het misdaadcijfer daalde ook in steden waar de kapotte- ruitentheorie niet was toegepast.

„Bovendien is niet duidelijk wat Wilson en Kelling bedoelen met ‘wanorde’ in een buurt. Dat er rommel op straat ligt? Kapotte ruiten? Als die rommel voor bewoners doodnormaal is en daarmee voldoet aan een sociale norm, treedt het verspreidingseffect niet op. Kees Keizer, Linda Steg en ik hebben wanorde nauwkeuriger gedefinieerd, namelijk als voor iedereen zichtbare tekenen dat mensen zich niet aan een legitieme regel houden. Die regel kan een algemeen aanvaarde norm zijn, maar ook een politieverordening.”

Voor de verspreiding van wanorde ontwikkelden de Groningers een theorie. Lindenberg: „Wij onderscheiden drie gedrag sturende doelen: normatieve (je gedragen zoals het hoort), hedonistische (je goed voelen) en winstdoelen (er materieel op vooruitgaan). Die wegen niet onder alle omstandigheden even zwaar. Onze hypothese luidde dat omgevingsfactoren, zoals wanorde, normatieve doelen naar de achtergrond kunnen drukken en andere juist naar voren halen. Om die hypothese te toetsen, ontwierp mijn promovendus Kees Keizer zes veldexperimenten.”

Het eerste experiment vergeleek twee verschillende situaties in dezelfde Groningse steeg. In het ene geval was een muur met graffiti beschilderd, in het andere was hij netjes schoon. In beide gevallen hing er een graffitiverbodsbord aan de muur. Aan het stuur van fietsen die in de steeg waren gestald werd op een middag een reclamefoldertje gehangen. In de situatie van de met graffiti bespoten muur gooide 69 procent van de mensen die hun fiets kwamen ophalen de folder op de grond, bij een schone muur deed maar 33 procent dat.

In een ander experiment werd een parkeerplaats afgezet met een half gesloten hekwerk. Aan het hek hing een bord ‘geen doorgang, omlopen voor de ingang’ en ook een bord ‘geen fietsen vastmaken aan het hek’. Als er toch fietsen waren vastgemaakt, glipte 82 procent van de mensen door het hek om snel bij hun auto te zijn. Zonder vastgemaakte fietsen was dat maar 27 procent.

Dat een omgeving met tekenen van normovertreding ook kan aanzetten tot ernstiger vergrijpen, zoals stelen, bleek uit een experiment waarin een envelop half uit een brievenbus hing. Door een venster was duidelijk te zien dat er een briefje van vijf euro in zat. Bij graffiti op en rond de brievenbus stak 27 procent van de voorbijgangers het geld in eigen zak, zonder graffiti deed maar 13 procent dat.

De Groningse experimenten bevestigen de harde kern van de kapotte-ruitentheorie: wanorde verspreidt zich. Lindenberg: „We maken ook duidelijk hoe die verspreiding in zijn werk gaat. Als je ziet dat andere mensen het normatieve doel (je netjes gedragen) een lage plaats geven, vermindert jouw aandacht voor dat doel en krijgen gemakzucht en hebberigheid de overhand. Een folder in je zak stoppen om hem later in een vuilnisbak te stoppen kost meer moeite dan hem op de grond gooien. Tekenen van normovertreding versterken die gemakzucht. En als je vijf euro in een envelop ziet die uit de brievenbus hangt, maakt wanorde dat het winstdoel de overhand krijgt. Normovertreding verspreidt zich doordat het algemene doel, je aan regels houden, wordt verzwakt.”

De drie Groningers brengen nóg een nuancering aan in de theorie. Lindenberg: „De overtredingen in ons onderzoek escaleren van vuil laten slingeren tot stelen. Als dit proces al langer bezig is en de wanorde zich heeft verspreid, dan kun je het niet terugdraaien door de omgeving op te ruimen. Dan is de ontsporing al te ver gevorderd en moet je opnieuw een basis scheppen voor de legitimiteit van regels. En dat is een veel lastiger en langduriger proces. Wij stellen vast dat je er op tijd bij moet zijn. Als je het laat sloffen, is een bredere aanpak vereist dan alleen schoonmaken.”