De prins en ik

Oud-NRC-redacteur Friso Endt (85) speelde een rol in de Greet Hofmans-affaire. Herinneringen van een journalist.

Met het koningspaar Juliana en Bernhard kreeg ik als journalist voor het eerst te maken toen ik, in opdracht van mijn toenmalige krant Het Parool, in de zomer van 1946 over het hek van paleis Soestdijk klom. Een kwajongensstreek – maar het lukte me zo wel Churchill, toen daar op bezoek, en de prinsesjes Beatrix en Irene te interviewen. De stunt leverde me een bonus op van vijftien gulden.

Twee jaar later volgde een ander incident: ik werd erop uitgestuurd Bernhard bij een concours hippique te vragen of hij dat jaar naar de Olympische Spelen zou gaan. Jazeker, antwoordde hij, in ondergoed in de deuropening van zijn caravan. „En ben jij niet die jongen die over het hek klom een paar jaar geleden. We hebben zo gelachen.”

Daarna werd het menens. In 1956 speelde ik een rol in de ontknoping van de Hofmans-affaire, zoals die beschreven staat in het boek Juliana en Bernhard van Cees Fasseur en destijds in Het Parool. Door speurwerk en het achterna rijden van de juiste auto, die van kamerheer Van Maasdijk, kwam ik erachter dat er een geheime ontmoeting was geweest van Hofmans-getrouwen die hadden gesproken over een complot tegen de koningin, met als verondersteld doel Beatrix op de troon te zetten. Het stuk dat ik daarover in de krant schreef, kwam het Bernhard-kamp goed uit. Zodoende had ik de jaren daarna tamelijk vrij toegang tot de prins. Ik kon hem altijd bellen of naar Soestdijk komen voor achtergrondinformatie.

Dit leidde tot een aantal merkwaardige hele en halve gesprekken. Tijdens de Hofmans-affaire deed het verhaal de ronde dat CIA-chef Allen Dulles naar Soestdijk was gereisd om door de prins te worden gewaarschuwd voor het communistische gevaar dat de gebedsgenezers zou vormen. Bernhard geloofde dat laatste, hoewel het een verzinsel was. Hofmans was geen agent van Moskou. Toen ik Bernhard jaren later, halverwege de jaren zestig, na een gesprek over de aanstaande echtgenoot van zijn dochter Beatrix, vroeg naar dat CIA-verhaal, zei hij: „Daar kan ik mij niet over uitlaten.” „U zegt niet dat het niet waar is”, zei ik. „Ach, daar kan ik mij echt niet over uitlaten”, was het herhaalde antwoord. Geen bevestiging, maar ook geen ontkenning.

De laatste maal dat ik Bernhard in persoon sprak, was op de dag dat de Lockheed-affaire op uitbreken stond, 6 februari 1976. In Washington vond toen de afronding plaats van het Senaatsonderzoek naar smeergelden die zouden zijn betaald door de vliegtuigfabriek aan ‘een hoge Nederlandse functionaris’. Dat zou Bernhard zijn geweest. Ik zocht de prins op in het Belvédère Hotel in Davos, waar hij die avond dineerde met onder anderen de topmannen Wagner van Shell en Karsten van de Amro Bank. Rond middernacht kwam hij tevoorschijn, en marcheerde me met een arm om mijn schouder naar de lift. Ook dit verhaal kon hij bevestigen noch ontkennen. „Ik sta daar boven”, zei hij. En boem, dicht ging de lift.

Na ‘Lockheed’ kwam het tussen ons niet meer goed. Twee jaar voor zijn overlijden belde ik hem op, over zijn protest bij Forbes, dat de Oranjes niet zo rijk waren als het blad beweerde. Ik vroeg wederom een bevestiging voor het aannemen van smeergeld. Dit keer kwam die wel. Maar hij voegde eraan toe: „Al dertig jaar heb ik zin u op uw neus te slaan. Als die breekt, hangt hij direct naar links of rechts.” Dat kwam er, gelukkig, niet meer van.

Dit is een bekorte bewerking van een langer artikel dat geheel is te lezen op nrc.nl/achterpagina. Friso Endt, die werkt aan zijn memoires, was NRC-redacteur van 1972 tot 1982.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Lockheed

Door een fout van de redactie bij het inkorten staat in het artikel De prins en ik (25 november, Achterpagina) dat prins Bernhard in 2002 tegenover auteur Friso Endt bevestigde dat hij Lockheed-smeergeld had aangenomen. Dit is onjuist. De juiste weergave is te lezen op nrc.nl/achterpagina.