Woedende Lear alleen met drilboor

Theater Lear naar William Shakespeare. Gezien: 22/11 Appellloods, Den Haag. T/m 28/12. Inl.: www.toneelgroepdeappel.nl ***

Is dit de befaamde King Lear? Hij poetst zijn tanden boven een lekke wastafel, daarna kamt hij met diezelfde borstel zijn haren. In de manshoge spiegel vertrekt hij zijn gezicht tot grimas. Deze Lear is vooral alleen. Bewerker en acteur Hubert Fermin van De Appel heeft de nar weggestuurd, zijn drie dochters eveneens. Verdwenen zijn ook de anderen: graaf Gloucester, bastaardzoon Edmund, graven, hertogen.

De Appelloods in de Bosjes van Poot waar Lear speelt, is allesbehalve een kasteel. Fermin opent de voorstelling met een meesterlijk gevoel voor dramatische ironie: opdat er geen gedonder komt voor de oude koning verdeelt hij zijn rijk onder zijn drie dochters. Daarna kan hij met een gerust hart de dood tegemoet kruipen. Maar hij wil iets terug, slechts een geringe geste: een liefdesverklaring. De oudste twee berekenen hun kansen op een royaal erfdeel, en putten zich uit in genegenheid. De jongste dochter, Cordelia, weigert te liegen voor rijkdom. Ze zegt dat ze „Niets” voelt, en dit woord dreunt door de hele tragedie: het niets, de leegte. „Uit niets kan niets voortkomen”, orakelt Lear.

Fermin vertolkt uitsluitend de tekst van Lear, die hij heeft omgesmeed tot een monoloog. De woorden van de dochters leest hij voor uit een notitieboekje. Kennis van het stuk is een vereiste om de verhaallijn te volgen. De winst van de solo, geregisseerd door Çanci Geraedts, is dat meer dan bij andere opvoeringen Lears waanzin aan het licht komt. Vaak krijgt Lear de wijsheid van een oude man mee, al dwaalt hij zot over de heide met zijn nar en slaat hij wartaal uit. De scène van het uitsteken van de ogen bij graaf Gloucester, verbeeldt Fermin door met een drilboor tekeer te gaan in de betonnen speelvloer, stofbril op.

In deze bewerking is het Lear zelf die de jongste dochter Cordelia doodt door ophanging. Ook deze scène krijgt een wrede uitvergroting. Lear laat een reusachtige haak uit de nok neerdalen, maakt die vast aan een stoel die Cordelia verbeeldt. En haalt het touw aan. Op het moment van diepste gekte schuift hij een pruik met lange haren over het hoofd, zet een plastic koningskroon op, slaat een mantel om en daar staat hij, de onttroonde Lear die zich aan een laatste restje koningschap vastklampt.

Dit is een bittere Lear, somber van toon met gelukkig af en toe een bevrijdende flits humor. Toegegeven, ik mis vooral de vrolijke nar en de sensuele dochters, ik mis ook Gloucester die toch niet zomaar door een betonvloer vervangen kan worden. Dat zijn verliespunten. Het mirakel van Fermins spel is dat hij mij als toeschouwer toch weet te raken door van deze Koning Lear een man te maken die niet vecht tegen vijanden in de buitenwereld, maar tegen de gruwelijke spoken in zijn hoofd.