Weest kuisch, kinderen!

Net als minister Rouvoet wilde de elite in Nederlands-Indië de seksuele uitwassen onder de jeugd bestrijden.

En net als nu begrepen de moraalridders er weinig van.

Zorgen over de seksuele gedragingen van de jeugd zijn van alle tijden. Voor minister Rouvoet is seks als ruilmiddel een schrikbeeld waar korte metten mee gemaakt moet worden. Ook in ons koloniale verleden waren er mensen die zich hiermee bezig hielden en de noodklok luidden over de losse zeden van de jeugd.

In Nederlands-Indië was dat vanaf 1918 vooral de vereniging Pro Juventute (Voor de Jeugd). Haar medewerkers werkten „zoo bij dag als nacht, in de buurten en kampongs, waar vermoed wordt, dat kinderen op het slechte pad geraken of oneerbaar werk doen.” Niet alleen om kinderen van „zedelijk verval” te redden, maar ook om jeugdcriminaliteit te bestrijden. De koloniale regering was verheugd met dit burgerinitiatief. Maar er is geen historisch bewijs dat het ook echt effect heeft gehad op hoe de jeugd zich gedroeg.

Net als nu ging het meestal om hogeropgeleide, maatschappelijk betrokken mensen die het beste voor hadden met deze kinderen. Nu wil Rouvoet weer eens een Brede Maatschappelijke Discussie voeren. Dat lijkt vooral eufemistische taal voor volwassenen die het gaan hebben over wat er moet gebeuren met of tegen de losgeslagen jeugd, zonder dat jongeren hierbij worden betrokken.

De koloniale burgerij maakte zich toen vooral zorgen over het „zedelijk verval” van met name gemengde (Indo-Europese) meisjes – zij werden als vroegrijp afgeschilderd. Vrouwen konden immers gemakkelijk zwanger raken, in een tijd zonder pil en condoom. Voor de heren was dat probleem minder groot, al vielen zij soms door de mand als ze een geslachtsziekte opliepen. Meisjes werden bovendien geacht om geschikte moeders en echtgenotes te worden, en dat lukte niet met een tienerzwangerschap en een slechte naam.

Pro Juventute-medewerkers gingen in steden als Batavia, Soerabaja en Medan de straat op. „Tot in de donkerste kampongs reikte haar arm om het kind hetwelk dreigde te vallen en onder te gaan, de helpende hand te bieden”, aldus het jaarverslag van Pro Juventute Soerabaja uit 1927.

Louise Maria, een Menadonees meisje van 14 jaar, deed niet anders dan uitgaan met een Maleisische jongeman, maar werd daarom – puur op basis van angsten en vermoedens - in haar woonplaats Medan onder toezicht geplaatst van een ambtenaar van Pro Juventute. Ook jongeren die rondhingen bij bioscopen, voor het huwelijk seksueel actief waren, of door hun bezorgde ouders werden aangemeld bij Pro Juventute, werden persoonlijk in de gaten gehouden en konden – met medewerking van de ouders of na begaan van een overtreding – in tehuizen of heropvoedinggestichten worden geplaatst. De dwang die werd toegepast had veelal als effect dat de kinderen in tehuizen het contact met hun families kwijtraakten.

Het lijkt wel alsof sommige volwassenen bang zijn voor de seksualiteit en de seksuele experimenten van de jeugd. Net als de Indische koloniale burgerij willen ook contemporaine moraalridders graag dat iedereen zich conformeert. Zo oordelen we vaak over (sub)culturen waar we zelf niet in thuis zijn en wordt jongeren en kinderen waar we ons zorgen over maken vaak niets gevraagd.

Laten we seksueel actieve jongeren, van verschillende achtergronden en opleidingsniveaus, eerst maar eens vragen wat zijn nu denken dat er moet gebeuren, dat zou pas een brede maatschappelijke discussie opleveren. Daarna kan minister Rouvoet dan in elk geval goed geïnformeerd de noodklok luiden.

Annelieke Dirks (30) is promovenda bij het instituut voor geschiedenis in Leiden.