Staat acht claim om bloedbad West-Java verjaard

De Nederlandse Staat keert geen schadevergoeding uit aan de nabestaanden van slachtoffers van het bloedbad in Rawagede op West-Java in december 1947. Volgens de landsadvocaat is de kwestie verjaard.

Dit blijkt uit een brief van de landsadvocaat aan de advocaten van negen nabestaanden en een overlevende. Zij stelden begin september de minister-president en drie bewindslieden aansprakelijk voor de gevolgen van het optreden door Nederlandse militairen in het Indonesische dorp. Zij brachten 431 jongens en mannen om.

Negen weduwen en een slachtoffer dat de moordpartij in het dorp heeft overleefd, begonnen een civielrechtelijke procedure om Nederland alsnog te dwingen hun schade te vergoeden. Bovendien willen ze een officieel excuus van de regering.

In de brief waarmee de landsadvocaat de claim afwijst stelt deze „dat de Staat niet beschikt over informatie over de individuele omstandigheden en het lot van de echtgenoten en andere familieleden van de cliënten”. Daarom biedt de Staat aan in overleg te treden met de nabestaanden.

Hun advocaten zijn hier „gematigd positief” over en willen de uitkomst van deze ontmoeting afwachten. Daarna wordt een beslissing genomen over het doorzetten van de rechtszaak.

De landsadvocaat verwijst naar de zogenoemde Excessennota uit 1969 en erkent dat „een groot aantal gevangen genomen Indonesische mannen zonder vorm van proces zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen”. Hun aantal werd in de nota geschat op 150. De actie van de Nederlanders was bedoeld om een verzetsgroep, die zich in Rawagede (tegenwoordig Balongsari) zou hebben verscholen, uit te schakelen. Later bleek dat er geen verzetsstrijders waren.

De landsadvocaat laat de nabestaanden wel weten dat de Staat de executies „in hoge mate” betreurt. Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot verklaarde eerder dat Nederland zich „aan de verkeerde zijde van de geschiedenis heeft geplaatst”.

Lees meer over Rawagede op nrc.nl/binnenland