Politici willen niet weten of beleid werkt

Voordat grote projecten worden gelanceerd, is het een goed idee om na te gaan of ze werken. Maar politici vinden dat ‘politiek onhaalbaar’. Nonsens, vindt Mirjam van Praag.

Er wordt heel wat beleid ontwikkeld en uitgevoerd door politici en ambtenaren. Maar heel vaak zonder zich af te vragen of het werkt, zonder behoorlijk onderzoek vooraf. Zo wordt twee miljard euro aan reïntegratie uitgegeven – en niemand weet of dit goed is besteed.

Sterker nog, onderzoek om vooraf vast te stellen of het werkt, wordt moedwillig geweigerd. Totdat het te laat is. Dan wordt er geklaagd dat er geen goede cijfers zijn op basis waarvan beleid gevoerd kan worden.

Maar het moet maar eens afgelopen zijn met het moedwillig over de balk smijten van belastinggeld. Hieronder volgen twee voorbeelden van beleid waarbij onderzoekers buitenspel zijn gezet:

Het Nicis Institute heeft onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat één geslaagd reïntegratietraject (een bemiddeling van een werkloze die tot een baan leidt) gemiddeld 537.000 euro kost (NRC Handelsblad, 20 november). Minister Donner en staatssecretaris Aboutaleb van Sociale Zaken en Werkgelegenheid reageerden verontwaardigd op deze cijfers, die volgens hen dan ook niet deugen. Minister Donner stelt: „De cijfers moeten gepreciseerd worden. Dat is niet eenvoudig, want de effectiviteit van het reïntegratiebeleid laat zich lastig meten.”

Minister Donner, dat is flauwekul.

De effectiviteit van reïntegratietrajecten is prima te meten. Neem het volgende experiment. Honderd werklozen die gekwalificeerd zijn voor reïntegratie worden op basis van loting verdeeld over twee groepen. De ene groep krijgt een reïntegratietraject, terwijl de andere groep het niet krijgt.

Omdat alle honderd personen in deze steekproef gekwalificeerd zijn voor het reïntegratietraject, zijn de twee groepen goed te vergelijken. Als dan bij vergelijking van de arbeidsmarktuitkomsten van beide groepen blijkt dat degenen die het reïntegratietraject hebben gedaan beter scoren dan de anderen, kan dit effect volledig worden toegeschreven aan het reïntegratieprogramma. Een zuivere effectmeting dus, op grond waarvan je kunt besluiten dit traject op grote schaal in te voeren of juist niet.

Waarom vinden deze experimenten niet plaats? Politici en beleidsmakers vinden ze ‘politiek onhaalbaar’. Men vindt het ‘oneerlijk’ om mensen uit te sluiten van programmadeelname. Ook al weet niemand of het programma zoden aan de dijk zet (tegen redelijke kosten).

Zo weet ik dat vorig jaar voorgesteld is om met deze experimentele methode het programma ‘Eigen Werk’ in Amsterdam te evalueren. ‘Eigen werk’ lijkt werklozen effectief te begeleiden naar de start van een onderneming. Maar het zou best kunnen dat de geselecteerde deelnemers ook zonder programma succesvol uitstromen naar werk. Zestig procent van de werklozen wordt ook zonder interventie binnen een jaar weer actief op de arbeidsmarkt.

‘Eigen Werk’ selecteert gemiddeld vijftig procent van de werklozen die zich aanmelden. Misschien bedient ‘Eigen Werk’ juist die werklozen die ook zonder programma weer snel actief worden op de arbeidsmarkt. Terwijl mensen die uitgeselecteerd worden er veel meer aan zouden hebben.

Maar de stakeholders in ‘Eigen Werk’, waaronder de gemeente Amsterdam en het CWI hielden onderzoek daarnaar tegen. Men vond het niet haalbaar om mensen die zich normaal wel zouden kwalificeren ‘alleen maar voor een onderzoek’ van deelname uit te sluiten. Het tegenargument, dat nu onderzocht kon worden of deelnemers überhaupt profijt hebben van dit traject, of dat het ‘socialer’ is om het traject aan te wenden voor minder kansrijke werklozen die normaal worden uitgesloten, overtuigde de beleidsmakers niet.

Een tweede voorbeeld van dit soort kortzichtigheid vond onlangs plaats op het ministerie van Economische Zaken dat bezig is met de lancering van een programma voor microkredieten. De doelgroep bestaat uit personen die via de reguliere financiële dienstverlening niet aan krediet kunnen komen, vaak werklozen.

Het ministerie heeft meteen bij de ontwikkeling – en niet achteraf, dus dat is goed – een openbare aanbesteding gedaan voor onderzoek naar de effectiviteit van dit programma. Ook in dit geval kan alleen een experimentele aanpak antwoorden geven.

Het ministerie heeft echter een voorstel gehonoreerd zonder experimentele aanpak. Het argument: de experimentele aanpak is politiek niet haalbaar. Reden: je mag mensen niet uitsluiten van dit programma.

Hoezo? Tot nu toe werd iedereen uitgesloten, het bestond immers niet. En misschien is het wel een ineffectief programma, dan schaad je dus niemand door uitsluiting. Het probleem is dat we het niet weten en dat we het ook nooit zullen weten, omdat nu ook gekozen is voor een onderzoeksaanpak die geen uitsluitsel zal bieden. En zoals minister Donner nu zegt, zal minister Van der Hoeven of haar opvolger dan over een paar jaar verzuchten: „De cijfers moeten gepreciseerd worden. Dat is niet eenvoudig, want de effectiviteit van het dit beleid laat zich lastig meten.”

Hoe anders is dit geregeld in de medische wereld met medisch-ethische toetsingscommissies waarin onderzoekers goed vertegenwoordigd zijn. Daar kunnen mensen wél uitgesloten worden – en soms zelfs van levensreddende medicijnen. Alles omwille van het onderzoek. Gewoon om te weten of het werkt.

Mirjam van Praag is hoogleraar ondernemerschap en organisatie en directeur Amsterdam Center for Entrepreneurship van de Universiteit van Amsterdam.