Nederland heeft geen boodschap aan de rest

Winst op één van de vier afstanden (van de in Duitsland trainende Bob de Jong) en twee podiumplaatsen op twaalf, het was de schamele oogst van de Nederlandse schaatsers bij de wereldbeker in Moskou. Excuses genoeg. „Het ijs was te zacht”, sprak Mark Tuitert, die op zijn favoriete 1.500 meter werd afgedroogd door de Noorse allrounder Håvard Bøkko. De Nederlanders waren moe omdat ze drie weken geleden al in topvorm moesten zijn voor de NK. (Dat de andere toplanden toen ook hun nationale titelstrijd hielden, is blijkbaar niet relevant). Kampioenen Sven Kramer, Paulien van Deutekom, Renate Groenewold en Ireen Wüst deden niet mee. Even ‘de mind resetten’ op Tenerife, ‘vitaminen Z(on) tanken’ en hard trainen. (Had misschien ook na Moskou gekund, zoals de Noren pas deze week naar Mallorca gaan, maar daarover sprak niemand).

Grootmacht Nederland en de rest, dat zijn in de schaatssport twee verschillende werelden. Vorig seizoen werden wereldbekerwedstrijden in Kolomna en Baselga ernstig gedevalueerd door het ontbreken van de Oranjetoppers. Financieel een behoorlijke klap voor de plaatselijke organisatoren, maar daaraan heeft een grootmacht geen boodschap.

Komend weekeinde organiseert de internationale schaatsbond ISU in Inzell een wereldbekerwedstrijd voor junioren. Een nieuw initiatief, mede om het langebaanschaatsen mondialer te maken. Maar grootmacht Nederland, met meer junioren dan in de rest van de wereld bij elkaar, vaardigt geen deelnemers af. ’s Lands beste junioren doen volgende week mee aan kwalificatiewedstrijden voor het NK allround, de kortste weg naar de top. Ook aan het kostbare experiment van ISU en de organisatie in Inzell heeft de Nederlandse schaatsbond geen boodschap. Kramer garandeert de komende jaren toch wel succes. Of misschien hoort het overslaan van wereldbekerwedstrijden tegenwoordig bij de opleiding?

Maarten Scholten