Intussen in Reykjavik

Jan Gerritsen woont al jaren in IJsland en vertelt hoe het de laatste weken is veranderd.

Steek je eigen auto in brand en betaal met het geld van de verzekering je leningen af.

„Alles afbranden: regering, parlement, centrale bank. Afbranden en opnieuw beginnen, er zit niks anders op”, verzucht Jon. Hij trekt er een vies gezicht bij.

Jon is mede-eigenaar van een veel bezocht restaurant in een dorp aan de ruige zuidkust. We staan buiten, in de snijdend koude wind. Jon heeft een paar trekjes van zijn sigaartje nodig, om zijn verontwaardiging te bedwingen. Tweehonderd meter verderop dreunt de branding van de koude oceaan op de lavarotsen, als een eindeloos herhaalde aankondiging van sombere tijden.

Jon is woedend. En hij is niet de enige. Volgens een peiling die het weekblad Frettabadid gisteren publiceerde, is het vertrouwen van het publiek in de regering van premier Geir Haarde sinds februari met 40 procent gedaald, naar 32 procent.

Vorige week sloot IJsland als eerste Europese land in ruim dertig jaar een lening af bij het Internationaal Monetair Fonds, van ruim 640 miljoen euro. Maar in het land zelf heeft dat vooralsnog niet geleid tot meer vertrouwen.

In Reykjavik demonstreren de laatste weken elke zaterdag honderden mensen tegen de manier waarop de regering om gaat met de economische crisis. Afgelopen zaterdag waren dat er enkele duizenden. De demonstranten verzamelden zich voor het centrale politiebureau, waar ze de vrijlating eisten van een betoger die eerder was opgepakt. De politie zette pepperspray in, toen een groepje het gebouw probeerde te bestormen.

„En het wordt alleen maar slechter”, foetert Jon door. „Misschien moet je er reclame mee maken dat Olafur Grimsson één van je vaste klanten is”, opper ik, in een verwijzing naar de president van IJsland. Jon snuift: „Olafur is niet zo populair.” Dan zwijgt hij, verdere uitleg is overbodig. Grimsson was een apostel van de ‘utrás’, de spectaculaire expansie in Europa van IJslandse bedrijven. Zoals de drie grote banken die begin oktober ten onder gingen – en daarmee het land in een ongekend diepe financiële crisis stortten.

Het lijkt nog maar zo kort geleden dat Grimsson in een rede voor Londense business leaders twaalf redenen opsomde voor „het geheim achter de IJslandse successen, waar anderen aarzelen of falen”. Als middeleeuwse Vikings nemen IJslanders risico’s, ze zijn moedig en agressief, oreerde Grimsson toen, in 2006. Zelf was hij zijn carrière ooit begonnen als linkse radicaal, maar hij voelde zich allang veel beter thuis tussen jetset en ondernemers. Hij besloot zijn lofrede met een Hollywoodse belofte: „You ain’t seen nothing yet.”

„Nou, dat klopt: you ain’t seen nothing yet”, zegt Jon, „kijk maar in de krant”. Dagelijks vallen er ontslagen, bedrijven gaan failliet, de bouwkranen staan stil, huizenprijzen dalen, salarissen worden verlaagd. Zo’n tienduizend auto’s wachten vergeefs op een koper. Af en toe gaan Hummers en andere kostbare auto’s zomaar in vlammen op – als de verzekering betaalt, kunnen de eigenaars hun lening terugbetalen. Poolse arbeiders uit de visfabrieken keren terug naar hun land.

Veel winkels houden uitverkoop om toch maar iets te verdienen. Maar alleen de verkoop van vrieskisten neemt toe – er wordt gehamsterd, want de prijzen voor de eerste levensbehoeften gaan wél omhoog. Zelfs bij IKEA (pardoes met 25 procent, anders kunnen we over twee maanden sluiten, zei de manager).

IJslanders zijn discreet over hun problemen. Kranten en televisie brengen nauwelijks interviews met mensen die financieel in problemen zijn geraakt. Zelfs de vaste, merendeels bejaarde bezoekers in de ‘hete pot’ (39 graden) van het zwembad in mijn woonplaats, Stokkseyri, bespreken de ‘kreppa’ (crisis) kalm, zonder veel emotie. Buschauffeur Oli (61): „Over een paar maanden zie je de ellende pas echt. Bij ontslag krijg je drie maanden salaris mee. Daarna val je terug op een uitkering. Dus een bouwvakker die 350.000 kronen verdiende, krijgt dan misschien 120.000 kronen. Daar kun je niet van rondkomen.”

Cijfers zijn er genoeg – in 2009 krimpt de IJslandse economie met 10 procent, eind januari zijn 7.000 mensen werkloos, de staatsschuld stijgt volgend jaar tot 100 procent van het nationale product. Volgens premier Geir Haar heeft IJsland de komende vier à vijf jaar vijf miljard dollar nodig om uit het diepe dal te komen.

Vijfduizend miljoen dollar dus, voor een bevolking van niet meer dan driehonderdduizend mensen, twee keer Nijmegen. En er is nog geen kop gevallen, niet in de regering en niet bij de centrale bank. De topmannen van de drie omgevallen (en vervolgens genationaliseerde) banken zitten kalm en veilig thuis – ze hadden tenslotte salarissen van „een Nobelprijs per maand” (de schrijver Einar Már Gudmundsson).

Dat geldt niet voor veel jonge IJslanders – zoals de ruim duizend ontslagen bankemployés – die grote leningen afsloten om een huis of een dure auto te kopen. Of voor oude mensen die hun spaargeld zagen verdampen, soms omdat ze op advies van hun bank aandelen kochten die nu waardeloos zijn. (In juli 2007 was de koersindex op de beurs 9.000 punten, nu nog geen 700).

Sinds een jaar of drie kon je in IJsland behalve in IJslandse kronen ook een lening krijgen in munten als euro, yen, dollar, Zwitserse franken, of een combinatie daarvan. Dit soort leningen is veel duurder geworden, nu de IJslandse munt sinds begin dit jaar 40 procent in waarde is verminderd. Tel uit je verlies: wie twee jaar geleden een ruime flat kocht voor 30 miljoen kronen en 20 miljoen kronen in harde munt leende, moet nu meer dan 30 miljoen kronen terugbetalen. Het huis is intussen dan 25 miljoen waard – en kopers zijn er niet: de huizenmarkt is stilgevallen.

De gemiddelde IJslander heeft naar schatting 30.000 euro aan leningen uitstaan. Voor auto’s bijvoorbeeld, noodzakelijk in een land met weinig openbaar vervoer. Omdat vrijwel alle vrouwen in IJsland werken, meestal voltijds, heeft elk gezin minstens twee auto’s. Liefst een ‘jeppa’ (een jeepachtige four wheel drive) voor de man en een ‘gewone’ auto voor de vrouw. Begin dit jaar meldde de Toyota-importeur in Reykajvik nog trots dat hij 200 Landcruisers van het allernieuwste type had verkocht. „Meer dan in heel Scandinavië!”

En nu? Zeventig procent van de IJslanders tussen 25 en 35 jaar denkt aan emigreren, zo blijkt uit opinieonderzoek. Bij voorkeur naar landen als Denemarken, Zweden of Noorwegen, waar ze zich vrij kunnen vestigen en recht hebben op alle sociale voorzieningen. Rond 1980, toen IJsland een soortgelijke crisis doormaakte (in een jaar kromp de economie met bijna 7 procent) zochten bijna 6.000 IJslanders tijdelijk hun heil in Scandinavië.

Intussen houdt Sjonvarp, de nationale tv, de moed erin. Het journaal brengt reportages die appelleren aan historisch besef – IJsland overleefde tenslotte honderden jaren duistere armoede, vulkaanuitbarstingen en andere natuurrampen. In Eskifjordur, een eenzaam dorp aan de oostkust, leren bejaarde mannen teenagers hoe je, zoals vroeger, ‘met de lijn’ kunt vissen. In het populaire satirische programma Spaugstofan speelde een acteur voor Elton John, die twee jaar geleden tegen genereuze betaling optrad op het verjaardagsfeest van één van ’s lands business tycoons. De tekst was aangepast aan de nieuwe werkelijkheid: ‘There is no krona anymore, the kreppa is here to stay.’

En elke zaterdag zijn er dus demonstraties rond Austervelli, het plein in Reykjavik waar de Althing (parlement) is gevestigd. Ze worden allengs minder vriendelijk. Eerder deze maand werd het parlement bekogeld met eieren. Op het dak hees een betoger onder gejuich de vlag van Bonus, de goedkoopste supermarkt waarvan de eigenaren al jaren overhoop liggen met het politieke establishment.

Daar in de buurt ontmoet ik de filosoof Björn Thorleifsson, van de Universiteit van IJsland. „Het begint te lijken op Praag 1968”, zegt hij hoopvol. „We hebben hier een soort revolutie nodig.”

Ik denk aan Jon en zijn ‘alles afbranden’. „Praag eindigde met bloed in de straten”, werp ik tegen.

Björn is zeker: „Nog vóór Kerstmis.”