En ondertussen is iedereen uit in Amsterdam

Ineens was daar vorige week een telefoontje: vader is met een hartaanval opgenomen.

Er is niemand om de boerderij over te nemen. Behalve jij.

Heerlijk! Volgende week geen kantoor, geen vergaderingen en geen telefoon. Alleen maar doen wat ik het allerliefste doe: een week lang schrijven voor de krant.

Dan gaat opeens de telefoon. Het is mijn jongere broer. Mijn vader is met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Een hartaanval. Hij is inmiddels gedotterd en zijn toestand is nu stabiel.

Maar toch. Een tijdje na de schrik om mijn vader, slaat de paniek toe. Hoe moet dat nu? Mijn ouders hebben een melkveebedrijf. Wie melkt er straks die zeventig koeien?

Mijn moeder en mijn broer van 22 kunnen het, maar mijn broer studeert nog en mijn moeder moet volgende week zelf een week naar het ziekenhuis voor een al eerder geplande operatie. En ik? Amsterdam is heel ver weg van Zeeland. Hoewel? Een schrijfweek kun je ook doorbrengen op een boerderij in Zeeland. Koeien melken duurt niet de hele dag. Boeken recenseren kan overal waar een internetverbinding is.

Ik heb vaker koeien gemolken, vroeger, al hielp ik als kind meer mijn moeder in het huishouden. Dat krijg je als je broers hebt met boerenambities. Maar zij hebben nu elk hun eigen boerderij. Een broer zit zelfs in Canada en zal dus alleen telefonisch kunnen meeleven. Waar zijn ze als je ze nodig hebt?

Vrijdagavond, na een drukke werkweek en een lange treinreis: aankomst in Zeeland. Zaterdagochtend half zes: een immens hard alarm door het hele huis. De wekker van mijn broer, die er zelf overigens niet wakker van wordt. Ik loop naar zijn kamer en doe het licht aan. Pas als ik zijn naam schreeuw, doet hij een oog open.

De wind waait om de stallen, het voelt nog als nacht. Met halve oogjes sta ik in de melkput. De overall en laarzen van mijn moeder passen me maar net. Een rode zakdoek op mijn hoofd moet voorkomen dat mijn haar te veel naar koeien gaat ruiken.

Het is een visgraatmelkstal, ken je dat? Zelf sta je in een langwerpige put en aan weerskanten staan de koeien schuin naast elkaar. Vijf aan elke kant. Ze komen uit zichzelf naar binnen, omdat ze weten dat ze tijdens het melken krachtvoer krijgen. Toen ik klein was, hadden we zelfs een koe die zichzelf kon bedienen door met haar bek aan het voertouwtje te trekken. Mijn vader heeft een omhulsel moeten maken om dat te voorkomen.

Eerst dep ik de spenen met gele ontsmettingsvloeistof. Binnen de kortste keren zien mijn handen knalgeel. „Met shampoo krijg je het er wel af”, zegt mijn broer die me ernaar ziet kijken. „Alleen bij je nagels niet.” Zijn eigen nagels hebben ook gele randen.

Na het deppen poets ik de spenen af met een doek en daarna sluit ik de melkstellen erop aan. Een koe met een kleine uier trapt tegen mijn hand. Het doet pijn en ik houd goed in de gaten of hij (de hand) niet dik wordt. Als ik niet meer kan typen, ben ik nergens. Het is een vaars, die me heeft getrapt. Ze (ik bedenk opeens dat we altijd hij zeggen, maar het is natuurlijk een zij) heeft nog maar een keer gekalfd en moet nog aan het gefriemel aan haar uier wennen.

Terwijl mijn broertje doorgaat met melken, kunnen de kalfjes alvast te drinken krijgen. Met twee volle emmers loop ik richting het kalverhok achter op het erf. Het is nog steeds donker. Er waait een frisse zeewind en ik haal diep snuivend adem. Anderhalve week geen uitlaatgassen, dat is meteen een soort reinigingskuur voor mijn longen. Dat dan weer wel.

Voor me uit lopen een paar katten die bij de melkstal hebben zitten wachten. Opeens schieten er overal vandaan andere katten toe. Bij de stierenstal slaan ze allemaal linksaf de stal in. Ik loop maar achter ze aan en zie dat ze zich rond een oude aardappelpan hebben verzameld. Nu verwachten ze blijkbaar dat ik daar wat melk in giet. Melk was toch helemaal niet goed voor poezen? Ik doe de pan niet helemaal vol.

De koeien en het jongvee krijgen kuilgras en maïs. Het compact geperste gras is moeilijk los te trekken. Ik ben geen zwaar handwerk meer gewend. Met een schraper haal ik de stront van de ligboxen. Sommige koeien lichten heel attent hun poten voor me op. Andere verroeren zich geen millimeter.

Klaar? Nee, de melkstal moet nog worden schoongespoten met de hogedrukspuit. Dan eindelijk, om kwart voor negen, kunnen we aan het ontbijt. Ik sta me zelf een paar extra boterhammen toe, ik heb er hard voor gewerkt. Hoe is het met mijn hand?

De melk is heerlijk romig. Een beetje te zelfs, vind ik nu. Toen ik op kamers ging, kostte het me een jaar om melk uit een pak te leren drinken.

De rest van de dag gaat op aan huishoudelijk werk, boodschappen, koken, ziekenbezoek en telefoontjes aannemen van bezorgde kennissen. Als ze horen dat ik de koeien melk, vinden ze dat een hele prestatie voor ‘een Amsterdammertje’. Ha, denk ik trots. En het was eigenlijk best lekker om weer eens met mijn handen te werken. „Een hele dag op kantoor, ik zou het niet volhouden”, zei mijn vader vroeger. „Er is niks mooier dan ’s morgens vroeg door de wei lopen.” Heeft hij gelijk? Misschien wel.

’s Avonds om zes uur is het alweer melktijd en de hele riedel begint weer van voren af aan. Als ik mijn hoofd onder een koe steek om er het melkstel aan te hangen, begint het beest kletterend te zeiken. Zodra ik weer binnen ben, spring ik onder de douche. Ik heb nog niets voor de krant geschreven, maar het is nog steeds weekeinde. Te vroeg voor schuldgevoel, denk erom.

Er wordt een kalfje geboren, een stiertje. Zijn moeder likt hem schoon en dan doen we hem apart in een hokje. De moeder gaat naar de stal bij de melkkoeien. Het kalfje moet uit een emmer leren drinken en daar ben ik vanaf nu drie keer per dag een kwartier mee bezig. Ik laat hem op mijn vingers zuigen die hij voor koeienspenen aanziet. Mijn hand houd ik in de emmer met warme biest (eerste melk van een koe na het kalven). Langs mijn vingers zuigt het kalfje de melk naar binnen.

Sommige kalfjes schijnen dat al binnen een dag te kunnen, drinken uit een emmer. Die van mij niet. Maar ik verdenk hem ervan dat hij het gewoon fijn vindt dat ik zijn hok binnenkom en met mijn vrije hand over zijn vacht krab tot hij de emmer leeg heeft. Als dat zo is, zal hij aan het einde van mijn boerderijschrijfweek nog steeds niet uit een emmer kunnen drinken.

De volgende ochtend ben ik degene die moeite heeft met opstaan. Het is al iets na zessen voordat ik in de melkstal ben. Hoelang geleden kon ik voor het laatst uitslapen?

Omdat ik half sta te dromen, gaat het een keer fout. Als ik de koeien uitlaat omdat ze klaar zijn, glipt er ook een koe door die nog gemolken moet worden. Je moet altijd goed in de gaten houden welke de laatste is die je hebt gemolken.

Hoe krijg je een nog niet gemolken koe te pakken? Het lukt me niet, want ik heb geen idee welke het is. Na veel gedoe weet mijn broer haar te vinden en wordt zij weer in het vak gestopt met de koeien die nog moeten.

En weer een nieuwe dag.

Na verloop van tijd begin ik sommige koeien te herkennen aan hun uier. Je hebt Lena met de ultrakorte speentjes, Betsie 12 met die uier tot op de grond en Sophie 20, met een enorme wrat op een van haar spenen. De eerste keer dacht ik dat ik daar nooit de tepelbeker omheen zou krijgen, maar dat lukt gelukkig wel, dankzij de zuigkracht van de melkmachine. Er is ook een koe met zes spenen. We gebruiken alleen de vier grootste.

Er schijnt ook nog een Franca 13 rond te lopen, maar die heeft mijn broer nog niet aangewezen en ik hou me stil, want dat achtervolgt me al mijn hele leven. „Franca is tochtig”, wordt er soms aan tafel gezegd, bijvoorkeur als mijn lief is meegekomen. „Ze moet straks even bij de stier.” Toen er lang geleden een klein, schattig kalfje naar mij werd vernoemd, was ik daar alleen maar trots op, maar zo’n kalfje is al binnen twee jaar koe en dan is het leuke er al snel af. Ik protesteer al jaren tegen het systeem dat kalfjes automatisch naar hun moeder heten.

En weer een nieuwe dag.

Om de twee dagen wordt de melk opgehaald. De chauffeur van de melkauto blijkt te weten op welk tijdstip hier de koffie wordt gedronken en past zijn route erop aan. Ik schenk de koffie en probeer mee te kletsen over de andere boeren uit de omtrek.

Mijn vader komt inmiddels thuis, maar moet het nog rustig aan doen. Het bezoek voor hem komt nu ook aan huis. Mijn opa, ook herstellend van ziekte, vraagt of ik zijn haar kom knippen. Terwijl hij op een keukenstoel met een handdoek over zijn schouders zit, knip ik zijn oren vrij. Na afloop krijg ik vijf euro.

Dan wordt het weer vrijdagavond. Het is negen uur. De koeien zijn weer gemolken. Uitgeteld zit ik de bank. Ik luister naar het geluid van de wind en denk aan Amsterdam en hoe iedereen daar aan het uitgaan is. Waar ben ik? Plotseling voel ik hoe een mens kan verlangen naar het klingelgeluid van een voorbijrijdende tram. Nog vier keer melken, dan is het zover.