Citigroup is voorlopig gered

Citigroup kan weer even vooruit. Dat is het goede nieuws over de reddingsoperatie van de Amerikaanse regering. Het verstrekken van nog meer kapitaal door de overheid, plus een garantie voor 306 miljard dollar (241 miljard euro) aan ‘giftige’ bezittingen, zouden het vertrouwen in de bank moeten herstellen. Dat is niet alleen belangrijk voor Citi, waarvan de aandelenkoers vorige week met 60 procent is gedaald, maar ook voor de financiële markten.

De crisis bij Citigroup deed zich voor in de periode nadat de vertrekkende Amerikaanse regering duidelijk had gemaakt alle moeilijke beslissingen te willen overlaten aan de nieuwe regering van Barack Obama, die in januari het roer overneemt. Maar de autoriteiten hebben de zaak uiteindelijk toch voortvarend aangepakt, door eind zondagnacht een ingewikkeld reddingsplan af te ronden. Uiteraard was er een belangrijk figuur uit de komende regeringsploeg aanwezig om de gesprekken van de nodige energie te voorzien: Tim Geithner, de voorzitter van de New York Federal Reserve (de centrale bank van de staat New York), die Obama’s minister van Financiën moet worden.

Tot zover het goede nieuws – beter een reddingsoperatie dan helemaal niets. Maar er is ook slecht nieuws.

Ten eerste zijn de voorwaarden van het reddingsplan te soepel. Het dividend van 8 procent over 20 miljard dollar aan kapitaal, dat de overheid injecteert in de vorm van preferente aandelen, is meer dan de 5 procent die Citigroup een maand geleden moest betalen over 25 miljard dollar aan overheidskapitaal. Maar het is veel minder dan de 12 procent die de Britse autoriteiten de in moeilijkheden verkerende Britse banken in rekening brengen.

Citi geeft de overheid ook nog eens 7 miljard dollar aan preferente aandelen, in ruil voor het garanderen van de ‘giftige’ bezittingen, en 2,7 miljard dollar aan ‘warrants’ (een soort opties). De uitoefenprijs van deze warrants is gunstig voor de huidige aandeelhouders van Citi – bijna driemaal de slotkoers van afgelopen vrijdag.

Zulke soepele voorwaarden – zelfs met de nieuwe beperkingen aan de mogelijkheden van Citi om een dividend uit te keren – kunnen de pogingen van de regering ondermijnen om zware voorwaarden op te leggen aan de bijna failliete autoproducenten uit de VS – of iedere andere bedrijfstak die komt bedelen.

Ten tweede is de waardering van de ‘giftige’ bezittingen (nog) niet vastgesteld. Als veel meer wordt betaald dan de marktprijs, zou de overheid – en uiteindelijk de belastingbetaler – opgezadeld kunnen worden met miljardenverliezen. De concurrenten van Citi kunnen immers soortgelijke reddingsoperaties eisen.

Ten slotte is nog niet helemaal zeker dat Citi nu uit de problemen is. Het reddingsplan voorziet niet in de uitgifte van nieuwe gewone aandelen. Daardoor zouden er, als de verliezen toenemen, weer vragen kunnen rijzen over het kernkapitaal. Ook gaat het plan voorbij aan de zorgen dat de bank ofwel onbestuurbaar is geworden, ofwel slecht wordt bestuurd.

Niettemin heeft Citi een stevig adrenalineshot gekregen, en kunnen de markten even een zucht van verlichting slaken.

Hugo Dixon