Alles is een kwestie van hoop

Anil Ramdas bezoekt de open dag van de quakers in Bennekom. Men zegt er eerst niks en dan breekt het zweet hem uit.

Het is een kleine, ronde zaal, en een beetje kil. Zondagochtend, twee tafels, twee kaarsjes, stoelen langs de wand. Ongeveer twintig mensen. Iedereen neemt plaats, en dan, ja, dan gebeurt er niks. Men zwijgt.

Ondanks de kilte breekt me het zweet uit: ik ben hier als schrijver, ik beschrijf de open dag van de quakers in Bennekom. Maar wat schrijf je als iedereen er het zwijgen toe doet? Een half uur lang?

Toen ik vanuit mijn dorp met een taxi afreisde naar dat andere dorp – ja, met een taxi, steden zijn in Nederland goed verbonden, maar dorpen niet, en zeker niet op zondagochtend – had ik me lichtjes een voorstelling gemaakt als in Witness.

U weet wel, die mooie film van Peter Weir met Harrison Ford, die terechtkomt in een gemeenschap van mannen met baarden en vrouwen in middeleeuwse kleren die niets moeten hebben van moderniteiten als de telefoon of de automobiel; hoewel ik me had ingelezen en wist dat er verschil was tussen quakers, de Amish en de mormonen, had ik gehoopt op een zelfde mate van tegendraadsheid.

Maar de quakers van Nederland zijn weinig tegendraads, hoewel: ze zijn principieel tegen geweld, ze staan open voor alle mensen, ze zijn wars van hiërarchie; dat kun je in deze tijden inderdaad tegendraads noemen.

In Bennekom word ik ontvangen met een kopje koffie en een korte toelichting op wat de quakers geloven: dat er in ieder persoon een inwaarts licht bestaat, het licht van God. Het is een religieus genootschap van vrienden, sinds het midden van de zeventiende eeuw, en alles wat ze vinden, vind ik eigenlijk prachtig. Ze geloven niet in absolute geboden (behalve geweldloosheid), ze willen zo eenvoudig mogelijk leven, ze betrachten gelijkheid, rechtvaardigheid en een verrassende onzekerheid: als de ‘schrijver’, een soort secretaris van de gemeenschap, de notulen van een zakenbijeenkomst voorlegt en vraagt of dit de juiste weergave is, zeggen de leden niet zomaar ‘ja’, maar ‘ik hoop het’. Is dat niet prachtig? Ik wou dat het mij ook aan stellige meningen ontbrak en ik altijd, in alle omstandigheden kon twijfelen, het van een andere instantie kon laten afhangen.

Het is niet zo dat men alleen maar stil is: bij de toelichting was al gezegd dat men tijdens het gezamenlijke zwijgen een belangrijke innerlijke beroering te berde mocht brengen. En na vijftien minuten staat een vrouw op en wenst iedereen sterkte in deze donkere novembermaand. Ik wist niet hoe dit een belangrijke innerlijke beroering kon zijn, maar ach, ik kon natuurlijk altijd ontzettend hopen dat het belang had.

De meeste aanwezigen kijken met een frons op het gezicht, een enkele met een gelukzalige glimlach, sommigen zitten met gesloten ogen, maar de stilte wordt steeds pijnlijker. Dan staat een jonge vrouw van Chinese afkomst op om te zeggen dat ze zo dankbaar is voor de steun van de quakers tijdens haar ziekte. De quakers verrichten namelijk veel goede daden, ze brengen strijdende partijen bij elkaar, bieden zwakken en zieken hoop. Alles is een kwestie van hoop.

Een jongeman met een piercing in het oor (de meeste aanwezigen zijn boven de vijftig) staat op en vraagt om aandacht voor het lot van de illegalen in het land.

Na afloop staat iedereen op en houdt elkaars hand vast. Dan is er een kennismakingsrondje. Tot mijn grote verbazing is Henk, mijn taxichauffeur, binnengeroepen omdat het buiten koud is. Iedereen vertelt iets over zijn of haar godsdienstige achtergrond en hoe ze bij de quakers terechtkwamen. Enkelen vertellen over de weldadigheid van de gemeenschappelijke stilte, dat het voelt alsof je door de groep gedragen wordt. Ik vertel dat ik hier ben voor de krant. En dan komt Henk: „Ik ben hier bij toeval”, zegt hij. „Ik ben atheïst. Maar ik zie dat u allen zoekende bent. Ik hoop dat u vindt wat u zoekt.”

Die Henk.

Reacties en suggesties naar:ramdas@nrc.nl