Rookhol

Mij verbaast het dat nog geen krant, radio of televisie een verslaggever heeft meegestuurd met een rookinspecteur, de slagvelden van de cafés in. Wel naar de fronten in Irak en Afghanistan, de Amsterdamse hoerenbuurt, en vroeger op reportage met de ambulance of de politie. Maar hoewel de oorlog in de kroeg nu bijna een half jaar escalerend duurt, nog geen verslag van het rokersfront. Ik denk iedere dag wel een paar keer aan die stoottroepen van maarschalk Klink. Ze vechten per slot van rekening voor de gezondheid van hun volk. Iedere dag weer gaan ze met doodsverachting de horeca in, geven hun ogen en neus de kost, betrappen een delinquent en stappen op de waard af. Wat doet die man daar? U mag drie keer raden. De misdadiger heeft intussen in de gaten dat er iets niet in orde is en heeft snel zijn peuk gedoofd en verstopt. Te laat! Deze meneer was aan het roken. Weet u niet dat dit verboden is? Jawel, maar er wordt steeds meer verboden en dit kan me geen reet schelen. Sodemieter op als je leven je lief is! (Ik citeer van het front).

Andere gasten hebben uit solidariteit ook een sigaretje opgestoken. Zijn die inspecteurs eigenlijk bewapend? Een stengun, een spuitbusje pepperspray lijkt me het minste. Het rokersvolk dringt op. Schelden. Dreigen. Het valt me mee dat het nog niet tot een handgemeen is gekomen. Want in cafés wordt ook gedronken. En met het oog op mogelijke overlast hebben sommige eigenaren hier en daar videocamera’s verdekt opgehangen, zoals dat ook in de tabakswinkels, supermarkten, banken en de tram is gebeurd. Misschien wordt de inspecteur meteen herkend. Een gespierde, licht beschonken gast klopt hem op de schouder en biedt hem een sigaret en vuur aan. Na een ferme weigering trekt de inspecteur zijn bonnenboekje en treft voorbereidingen tot de bekeuring. Zal ik jou eens wat vertellen vader? zegt de gast. Als jij die vriend van mij daar achter de tap een bekeuring geeft, krijg jij van mij een knal voor je kanus. Okee? Zo begint het dan. Iedereen die ooit getuige van een caféruzie is geweest, weet dat dit geen absurd scenario is.

Terwijl het conflict over de sigaret in de horeca escaleert ontstaat er ook weer gedonder om de coffeeshops waar de klanten niet komen om coffee te drinken maar om een joint te roken. Ver terug in de vorige eeuw heeft de minister van Gezondheid Irene Vorrink de grondslag voor deze faciliteiten gelegd. De jeugd van toen had de hasj ontdekt en wilde blowen. Nederland was een tolerante natie. Blowen moest kunnen. Maar dat wat we nu wiet noemen was een softdrug, waarvan je niet zomaar overal kon genieten. De minister heeft toen de café-achtige ruimte bedacht. Hoewel het eigenlijk min of meer niet mocht, kon je daar ongestoord je gang gaan. Nederwiet, Durban poison, dat hinderde niet, zolang het maar soft was. Toen werden deze café-achtigen van lieverlee coffeeshops genoemd. Op weg naar mijn werk kom ik langs zo’n sinds jaren florerend zaakje dat Nogal Wiedes heet.

De diepste oorzaak van de nieuwe, of opnieuw ontdekte crisis om de coffeeshop ligt in onze miskenning van de tolerantie. In het omringende buitenland zijn ook de softdrugs verboden, en dus komen van heinde en verre de liefhebbers naar Maastricht en Sluis om te genieten, en de maffiosi om ongestoord hun inkopen te doen. Natuurlijk veroorzaakt dit wat we in het tolerantie-Nederlands ‘overlast’ noemen, gewoon gezegd: misdadige rotzooi. Daarna roepen de ordelievenden onder ons: De maat is vol! Paal en perk! Keihard aanpakken! Dat is dan de vaderlandse cyclus.

Kunnen wij, de tabakrokers en de radicale horecazuiveraars, iets leren van de vaderlandse wietgeschiedenis? Ik wil het nog één keer zeggen: sigaretten roken is on-ge-lo-fe-lijk slecht, voor alles. En door het opsteken van een sigaret verzoent de roker zich telkens weer met zijn existentie. Dat is geen verslaving, het is een zijns-daad, zou de fenomenoloog Edmund Husserl gezegd hebben. Daar hebben anti-rokers geen verstand van. Toen het totale rookverbod van kracht werd, verwachtte ik dat er al gauw illegale rookholen zouden komen, zoals in Amerika in de jaren twintig de speak-easies na de totale drooglegging. Ik voelde wel iets voor zulke onderkomens, alleen toegankelijk voor mensen boven de zestig, en met muziek van Bill Haley, Little Richard en Elvis Presley. We hebben hier wel de zuipketen voor de jeugd, maar van rookholen is het nog niet gekomen. Tot dusver wordt de strijd in de openbaarheid uitgevochten. Als het verder gaat zoals nu, zullen de rokers verliezen.

Daarmee is dan een deel van het volk van een deel van zijn levensvreugd beroofd. Met alleen maar gezonde, rookloze kroegen heeft de stad een allure van krampachtige ontoegankelijkheid gekregen. Je gaat minder de straat op, je ziet je ouwe makkers niet meer, je blijft thuis en je rookt. Met ons in een halve eeuw door het gedogen geslepen vernuft moet het mogelijk zijn, de stad weer te normaliseren, zonder dat de niet-rokers aan onze gevaarlijke dampen worden blootgesteld. Excellentie, denk er eens over na.