Na de triomf van Obama moet Europa de Navo afschaffen

Europa moet zijn vazallenstatus jegens de VS opgeven, erkennen dat Afghanistan een verloren zaak is en de Navo verruilen voor een Euro-Aziatisch veiligheidsverbond.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad. Karel van Wolferen is oud-correspondent voor Oost-Azië van NRC Handelsblad en emeritus universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Europa moet de gelegenheid van de verkiezing van Barack Obama te baat nemen om zijn plaats in de wereld niet langer te laten afhangen van beslissingen in Washington. Emancipatie van Europa is hard nodig. De dringende zaken die de Amerikaanse president waarschijnlijk wil aanpakken zijn nu niet onder controle.

Als Europa zijn nieuwe kansen voorbij laat gaan, zal het bijna zeker worden meegesleurd in mondiale ontwikkelingen waarmee niemand is gediend, behalve de wapenfabrikanten. Op een kleine groep van verslaafde atlantici na, delen Europeanen ten westen van de Poolse en Tsjechische grens de Amerikaanse vijandfantasieën niet.

De afgelopen jaren hebben Amerikanen weinig realiteitszin aan de dag gelegd bij het bepalen van hun eigenbelang. Amerika heeft grote behoefte aan kunstmatige vijanden. Om gekozen te kunnen worden, moest Obama zich wel presenteren als potentieel krachtig opperbevelhebber en dat betekende dat hij moest meegaan met de nu eenmaal ingeburgerde voorstelling van zaken als zouden de VS van veel zijden belaagd worden en een zogenaamde oorlog tegen het terrorisme moeten voeren. Dat laatste is, zonder een vijand die zich kan overgeven, tegelijk een farce en een noodlottige leugen die machtsmisbruik door de regering-Bush heeft mogelijk gemaakt.

De politieke uitbuiting van angst door de regering-Bush heeft ons Europeanen onzekerheden, spanningen en onnodige oorlogen in Irak en Afghanistan bezorgd, waarbij marteling en schending van diverse internationale verdragen op de koop toe werden genomen. Europeanen die dat nooit van hun sterkste bondgenoot uit de Koude Oorlog hadden verwacht, haalden daarom bij de verkiezing van Obama opgelucht adem. Maar die opluchting komt te vroeg. Wat Obama werkelijk van de veronderstelde vijandige wereld denk, laat zich nog raden, hoewel zijn klaarblijkelijk bijzondere intelligentie en gezonde verstand hoop geven.

Maar ook als hij begrijpt dat bijvoorbeeld verder vechten tegen de Talibaan niet anders dan tot nog meer en grotere ellende kan leiden; dat een radicaal einde moet worden gemaakt aan de verdere provocatie en vervreemding van Rusland, en het bevorderen van een neo-koude-orlogsfeer; dat Chavez van Venezuela geen dictator is en geen vijand hoeft te zijn; dat heel omzichtig zal moeten worden omgesprongen met Pakistan; dat kolossale omvang, een enorm concurrentiepotentieel en ‘ondemocratisch’ regeren geen redenen zijn om China nu al als een onvermijdelijke toekomstige vijand te zien; dat het beleid van Israël in de Gazastrook onhoudbaar is; en dat het grootschalige verlies van Amerikaanse invloed in de wereld in de eerste plaats het gevolg is van het acht jaar lang afschaffen van diplomatie door Washington.

Ook als hij al deze dingen goed door heeft, en verlangt om er zoveel mogelijk van recht te zetten, dan nog heeft hij veel meer tegenover zich dan Republikeinse tegenstanders: een eigen politiek corrupte partij, een eigen land dat er door acht jaar wanbeheer allerbelabberdst voorstaat, en een voornamelijk onnozele mediawereld die hij zal moeten overtuigen.

Wat Obama noch iemand anders in de hand heeft, is het onaangename feit dat de VS om psychologische en institutionele redenen niet zonder vijanden lijken te kunnen leven. Om bij het tweede te beginnen: er bestaat iets wat door president Eisenhower in zijn afscheidsrede werd gedoopt tot militair-industrieel complex. De schrikbeelden die hij bij zijn waarschuwing opriep zijn tot in de details werkelijkheid geworden, zeker gedurende de afgelopen acht jaar. Het heeft niets te maken met vechtlustige officieren, zoals wel wordt gedacht, maar met een keynesiaanse motor onder de Amerikaanse economie. Een groot aantal leden van het Congres is voor hun herverkiezing van de defensie-industrie in hun districten afhankelijk. Er zou een politiek genie met het vermogen van Hercules voor nodig zijn om militaire uitgaven voor wegen, bruggen en andere infrastructuur te gebruiken, met een vergelijkbaar electoraal profijt voor Congresleden als gevolg.

De psychologische reden is moeilijker grijpbaar en wordt nog steeds niet voldoende naar waarde geschat door de Europese economische elite. De Amerikaanse natie is bijna verslaafd aan voortdurend bewijs dat zij een superieure status bezit en in de wereld opereert als positieve, heil brengende, morele macht. In hun wijdverbreide nationale verbeelding gaan Amerikanen ervan uit dat hun land onmisbaar is voor de orde in de wereld. In de strategische luwte van de Koude Oorlog zijn Europeanen de neiging ontwend om dat soort ideeën van de hand te wijzen. Om in morele superioriteit te kunnen blijven geloven, feliciteren veel Amerikanen zichzelf regelmatig. Dat hebben we zojuist weer gezien met de verkiezing van een niet-blanke president die werd gevolgd door de veel gehoorde triomfantelijke uitroep: only in America! Dat Amerikanen zichzelf ook vaak zwartmaken, is de andere kant van dit narcisme.

De Eerste en vooral de Tweede Wereldoorlog waren prachtige gelegenheden om het wereldbeeld van goed en kwaad te bevestigen. En de Koude Oorlog was er, als het ware, voor gemaakt. Het einde daarvan bracht behalve vreugde ook trauma voor Amerika, want daarmee verdween het allerbelangrijkste ijkpunt van politieke bonafides op elk niveau van openbare activiteit. Zonder bad guys zijn er geen good guys, althans geen die zich voortdurend als zodanig kunnen bewijzen. De noodzaak van vijanden voor eigen moreel gebruik dateert dus van vóór de huidige president George W. Bush. Maar deze wist de gevoelige Amerikaanse zenuwen te raken toen hij na de aanslagen van de elfde september de wereld afschilderde als een strijdtoneel tussen goed en kwaad. En hij kon herkozen worden via een campagne die geheel geënt was op de angst voor de gevaren uit de hoek van het kwaad. Er wordt nu weliswaar veel gesproken over een streep onder het Amerika van de afgelopen acht jaar, maar veel Amerikaans commentaar duidt erop dat de waanideeën uit die tijd, samen met de neoconservatieve agenda, hoog worden gehouden door de zogenoemde liberal hawks. Dat zijn de links-liberale haviken, die zich hebben genesteld in het Amerikaanse nationalisme.

De Europese wil om Obama met zijn zware taak te helpen is volop aanwezig. Tenslotte helpen Europeanen daarmee ook zichzelf. Men mag na 21 januari verzoeken verwachten van de regering-Obama. Thomas Friedman, columnist voor The New York Times, die in politiek onderlegd Washington meer als een voorbeeldige weerhaan wordt beschouwd dan als verstandige analist, geeft een idee van wat de inhoud en toon daarvan kunnen zijn. In een recente column daagde hij Europa en landen in Azië uit: jullie applaudisseren voor onze keuze van Obama, maar wanneer doen jullie nu eens wat voor ons? Hij doelde op meer troepen voor Afghanistan en hardere sancties tegen Teheran.

Minister van Buitenlandse Zaken, Maxime Verhagen (CDA), heeft het verstandig geacht alvast zijn bereidheid te tonen met Amerika mee te blijven vechten in Afghanistan. Hij bewijst daarmee Obama, Europa, noch Afghanistan een dienst. Obama’s verkiezingsbelofte om harder op te treden tegen de Talibaan was noodzakelijk om te winnen in een natie die jarenlang werd voorgelogen met de boodschap dat deze geïsoleerd wonende stammen een reële bedreiging voor Amerika vormen. Obama’s plannen voor Afghanistan worden nu al gezien als een van zijn zwakkere plekken. William Pfaff, een feilloze politieke duider, stelt vast dat Afghanistan, samen met weifelachtigheid over terugtrekking uit Irak de ondergang kan worden van zijn presidentschap. Zowel de Amerikaanse kiezers als het merendeel van het volk en de regering van Irak wensen dat Amerika zich terugtrekt.

Als Obama kans ziet een einde te maken aan de loze fantasie van de oorlog tegen het terrorisme en zijn land zich relatief comfortabel kan laten voelen als nog altijd grootste industriemacht in een wereld zonder geloofwaardige vijanden, dan zet hij een grote stap terug naar de relatief stabiele en vredelievende wereldorde die aan het eind van de 20ste eeuw voornamelijk dankzij Amerika was ontstaan. Een Europese Unie, of een deel ervan, die de wereld vertelt dat zij zich opnieuw opstelt achter het Handvest van de VN en het daarmee tot stand gekomen internationale recht, zou de positie van de idealistische Obama zeer ten goede komen.

Maar de EU kan meer doen. Vooral resoluut wijzen op Afghanistan als een verloren zaak. Dat moeten we, ook al hebben we het hier over de toekomst, beschouwen als een politiek feit waarvan de geldigheid berust op ervaring, historische kennis en logische analyse van deskundigen.

Tot de meer zorgwekkende recente ontwikkelingen behoort de neiging van vooraanstaande Amerikaanse kringen om de notie van belaagd zijn te versterken met nieuwe koudeoorlogsfantasieën. De verhouding tussen Amerika en Rusland is nog steeds een hoofdscharnier waarom de wereld draait. Deze relatie is in de afgelopen jaren ernstig verstoord door een half afgedwongen, misplaatste economisch-politieke transformatie die onbeschrijfelijke ellende en armoede teweeg heeft gebracht. Daarbovenop kwamen gebroken beloften van politiek-strategische aard aan Rusland.

Niemand is gediend geweest, zeker ook niet Europa, met de vooruitgeschoven raketverdediging in Polen en Tsjechië van de regering-Bush, haar gewroet in Oekraïne en Georgië, en haar tamboereren op voortschrijdende uitbreiding van de NAVO naar het Oosten. Hier komen een paar lijnen bijeen die het Obama moeilijk maken, maar hem tegelijkertijd met Europese hulp een kans geven een wezenlijke verandering tot stand te brengen.

Voor veel Amerikaanse beleidsmakers en politieke analisten begint de geschiedenis bij gelegenheden zoals deze weer opnieuw en weinig presidentiële adviseurs en beleidsmakers hebben een driedimensionaal beeld van de wereld. Dus Europeanen die pleiten voor een onafhankelijke opstelling worden in Washington al gauw gediskwalificeerd als onbetrouwbare bondgenoten. Dat gebeurde met de dwarsliggende Schröder en Chirac voor de Amerikaanse invasie van Irak. Maar waarvoor bestaat dan het veelbesproken bondgenootschap? Om, in afwezigheid van een wezenlijke vijand, vijandschap uit te lokken? Met zo’n duizend militaire bases en gevechtsinstallaties heeft Amerika van onze planeet een garnizoen gemaakt. De NAVO is daarvan een hulpstuk geworden, en het idee dat Europeanen ermee worden beschermd is lachwekkend.

Amerika heeft met de keuze voor Obama een kans gekregen zich uit de ideologische veiligheidskramp te bevrijden die zich als voortzetting van de Koude Oorlog manifesteert. De regering-Bush gedroeg zich als de leiding van een schurkenstaat. Europa heeft dat makkelijker gemaakt door zich op te stellen als een verzameling vazallen die zich liet koeioneren. Ze konden geen officiële stem verheffen om de rest van de wereld te verzekeren dat het Europese publiek geheel niet gelooft in preventieve oorlogvoering.

Heeft Europa net als Amerika een kans om te veranderen? De financiële crisis heeft de vaak becommentarieerde interne verdeeldheid van Europa sterker aan het licht gebracht. Maar de blokkade van politieke integratie in Europa is onlosmakelijk verbonden met de uitbesteding aan de Amerikaanse toezichthouder van het Europese beleid op het gebied van defensie en buitenlandse zaken.

De media staan bol van suggesties wat een VS onder Obama moeten doen. Het idee dat er iets van Europa verwacht mag worden, anders dan voortzetting van de vazallenstatus komt daarbij niet aan bod.

Een initiatief om de NAVO af te schaffen zou een welkom teken van durf, vredelievendheid en strategisch verstand voor de wereld zijn. Het alternatief om Rusland nauwer te betrekken bij het voortbestaan van het bondgenootschap is voorlopig mislukt. Maar er zou een nieuw begin mee kunnen worden gemaakt als opstap naar een Euro-Aziatische veiligheidsorganisatie in een nieuwe stijl. De zwaar lekkende Amerikaanse veiligheidsparaplu boven Europa kan worden ingeklapt. Bij nader inzien klinkt het niet zo vreemd meer dat Obama er alleen maar mee gediend kan zijn wanneer Europese landen voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog, maar dan collectief, eigen verantwoordelijkheid hernemen voor hun buitenlandse politiek.

Obama laat een potentieel voor staatsmanschap zien en lijkt te beschikken over het goede instinct. Beschikt Europa over het vermogen hem op hetzelfde niveau tegemoet te treden?