Lampenkap

Ilha moest haar hoofddoek anders dragen, vond haar moeder. En wat vindt haar vader?

Verlegen. Mooi. Lief. Onzeker. Dat was Ilha allemaal. Zij is een van die leerlingen die met een gemiddelde lees- en rekenachterstand van drie jaar instromen in het VO. Gestart met een lage Cito-score en ingestroomd op het laagste niveau van het VMBO, basisberoeps.

In het vierde jaar dat ik haar lesgaf, trad er een verandering op in haar verschijning.

Elke dag kwam ze met roodbetraande ogen op school, maar aan het eind van de dag stond er een hele hippe, skaterachtige jongeman op haar te wachten, op wie ze dan stralend afliep. Hij bleef altijd op twee meter afstand kijken hoe ze haar spullen in haar kluisje deed en dan liepen ze zwijgend de trap af.

Op een ochtend dat ze voor de vierde achtereenvolgende keer te laat was, voor haar hoogst ongebruikelijk, nam ik haar apart. De ogen stonden verdrietig, de neusvleugels rood van het snuiten. Wat is er aan de hand Ilha ? „Oh , juf als u een wist,hè.’ En ze barstte in tranen uit. Ik begon al als een razende te malen en dacht aan het onwaarschijnlijke Romeo-en-Julia-koppel dat ik elke dag op de gang zag. Maar ze vervolgde: „Mijn moeder heeft kleren voor me gekocht en die moet ik aan en ze wil dat ik mijn hoofddoek draag zoals het hoort.” Ik keek eens naar de doek die kunstig om haar hoofd gedraaid was.

„Hoe moet je hem dragen dan?” „Hoger, meer als een lampenkap.” We kregen alle twee de slappe lach. Nu was Ilha gezegend met een droomfiguurtje en ze knoopte een doek op kunstige wijze om haar spijkerbroek, om haar billen op haar manier niet te hoeven tonen aan de buitenwereld. Het kwam erop neer dat haar moeder het tijd vond worden dat ze lange rokken droeg. De vertraging in de ochtend was hier inherent aan, omdat er dan een mode/cultuuroorlog werd uitgevochten op de gang.

Als je vier jaar lang zeer intensief met kinderen werkt, treedt er een blikvernauwing op. Ik kende haar vader van de ouderavonden. Een moderne, jongeman van midden dertig, met spijkerbroek, leren jasje en een doordringende, maar niet onaangename aftershave. Een aardige man. De ouders leefden gescheiden van elkaar. „Als je vader binnenkort op school is voor een oudergesprek, zal ik dan eens peilen wat hij ervan vindt, misschien kan hij bemiddelen tussen jullie?” Hoe naïef die woorden hier geschreven staan, ze komen nu als een boemerang terug in mijn gezicht. Wat ik nooit deed – mij bemoeien met dit soort zaken – dacht ik nu, in naam van Ilha, te moeten doen. Ze moest toch senang zijn, gelukkig worden? Mijn West-Afrikaanse moeder moest altijd hard lachen om het begrip Pubertijd en zei dan smalend: „Daar hoef je bij mij niet mee aan te komen hoor, dat is iets van Hollanders, ga daar maar mee naar Klaas, je vader.” Goed, ik zei het u al. Blikvernauwing.

Tijdens het gesprek waarin Z met bibberende toon uitlegde dat ze zo graag haar eigen kleren wilde blijven dragen en dat ze geen slecht meisje wilde zijn en dat ze mama ook niet verdrietig wilde maken, keek haar vader haar lang aan. „Laat je mij hiervoor naar school komen, wij doen alles voor je, je moeder koopt mooie kleren voor je en je weigert ze te dragen”, enzovoort. Het waren niet zozeer de woorden, maar de toon die sneed.

Ilha begon ogenblikkelijk te jammeren: „Oh. ik wist het, sorry papa, sorry, vergeef me, vergeef me.” Dit ging zo’n vijf minuten door. De volgende dag gingen Ilha en ik verder met het wegwerken van die gemiddelde leesachterstand.

Een paar jaar later kwam ik haar tegen achter de kassa van een supermarkt. Een bijbaantje.

Ze ging dat jaar starten in niveau drie van het MBO. We praten zachtjes over de dood van een oud-klasgenoot Ilias, een super jongen, een zogezegde model-Marokkaan, door een motorongeluk. Bij de kassa stond, denk ik dezelfde hippe Nederlandse jongen van vroeger.

Hij fluisterde haar iets toe en liep snel weg. Ik keek naar haar lampenkapachtige hoofddoek. „Dag juf,” zei ze. „Dag,” zei ik. „En doe je best hè?” Ze lachte.

De auteur is docent Frans en Mens en Maatschappij op een middelbare school in Amsterdam-Oost