'Kinderen zijn nieuwsgierig en hebben de tijd'

Marie-Cécile Zinsou hoopt met haar ‘Fondation’ in West-Afrika moderne Afrikaanse kunst te promoten. „Het culturele beleid hier is een ramp.”

Zware glazen deuren, een museumwinkel met glanzende catalogi, een koffieshop met zachte rode fauteuils. Niets in de Fondation Zinsou doet aan West-Afrika denken. Wie hier binnenloopt, waant zich op slag in Europa. Ook de directrice lijkt zo uit Parijs weggelopen. Marie-Cécile Zinsou, net 26, praat razendsnel, rookt als een schoorsteen en maakt grappen met een informele, on-Afrikaanse directheid.

De Fondation Zinsou is een even ongebruikelijk als ambitieus project. Sinds de oprichting in 2005 heeft het museum voor hedendaagse Afrikaanse kunst in het hart van Cotonou, de belangrijkste stad van Benin, zes grote tentoonstellingen gehad. Het is in de regio de enige expositieruimte van internationale allure. Nergens in West-Afrika bestaat zo’n professioneel kunstinstituut. Bijna 1.500 vierkante meter, verspreid over twee verdiepingen. Bij de ingang zit een schoolklas met grote ogen te kijken naar een installatie die een zemidjan, een brommertaxi, anno 2059 voorstelt. De chauffeur is een metalen pop met een transparant lichaam vol lege verpakkingen. Waar gaat dit over, vraagt de suppoost. De kinderen die hun vinger opsteken mogen antwoord geven. Stof, probeert een meisje met vlechtjes. Nee, vervuiling, roept een jongetje met een Spiderman-rugzak.

Elke expositie trekt meer bezoekers dan de vorige. Het spits werd afgebeten door de Beninese kunstenaar Romuald Hazoumé, die bekend werd met installaties van jerrycans waarin benzine wordt gesmokkeld, een nationale sport in Benin. Het meest gedurfd was een expositie rondom Jean-Michel Basquiat. Van de Franse galeriehouder Enrico Navarra kreeg directrice Zinsou zeventig tekeningen en schilderijen te leen. Een rondreizende fototentoonstelling over de kunstenaar moest Basquiat toegankelijk maken voor een Afrikaans publiek. Dat lukte beter dan verwacht, vertelt Zinsou. „Basquiat staat ver af van onze dagelijkse realiteit maar zijn werk sloeg enorm aan bij kinderen.” Het grootste succes tot nu toe was de fotograaf Malick Sidibé, die ruim een half miljoen bezoekers trok. „Malick Sidibé is iemand om wie je niet meer heen kunt als je het over Afrikaanse kunst hebt, en hij belicht ook de positieve, vrolijke kant van Afrika. Dat is iets wat mensen graag zien, niet alleen westerlingen, ook Afrikanen.”

Met de Fondation hoopt Zinsou in haar eentje het cultuurbeleid van Benin op een hoger plan te tillen. Dat lukt alleen door doortastend op te treden. Benin heeft een bewogen geschiedenis. Het was de zetel van het koninkrijk van Dahomey, dat een schat aan kunstobjecten heeft voortgebracht. Maar tegenwoordig is de belangstelling voor kunst minimaal. De generatie van dertigers en veertigers die opgroeide onder het marxisme van ex-president Mathieu Kerekou is amper geïnteresseerd, en de regering zo mogelijk nog minder, zegt Zinsou.

„Het cultuurbeleid is een ramp, niet te geloven. De staat financiert niets, personeel wordt niet betaald en verkoopt stukken uit de collectie om te overleven. We hebben ook nog nooit een bekwame minister van Cultuur gehad. Dat hebben we al vaak gezegd, op de radio en op de televisie, maar dat heeft geen enkele reactie uitgelokt, niet eens een boze, ha ha.”

Een uitzondering zijn jongeren. Elke dag dwalen er wel een paar schoolklassen door het enorme gebouw. Meer dan de helft van de bezoekers is jonger dan 20, zegt Zinsou. „Kinderen waren de eersten die de deur open durfden te duwen zonder bang te zijn met onbekende dingen geconfronteerd te worden. Volwassenen hebben die angst wel, die moeten eerst hun schroom overwinnen. En dan nog, veel mensen zien er het nut niet van in. Kinderen zijn nieuwsgierig en ze hebben de tijd. Zij zijn ons belangrijkste publiek.”

Zinsou is een quarteronne: haar vader is halfbloed Beninees, haar moeder Française. Het besluit om zich na haar studie kunstgeschiedenis in Cotonou te vestigen werd impulsief genomen. „Ik was er nog nooit geweest, zelfs niet op vakantie.” Zinsou kende het land alleen van horen zeggen. Haar oudoom was een paar jaar president van Benin; haar vader Lionel is een rijke bankier die in Frankrijk voor de Rothschilds werkt. De Fondation had ze binnen een week opgericht, zegt ze nonchalant. „Ik had het erover met de directeur van Quai Branly in Parijs, die een vriend van de familie is. Hij riep meteen: dat moet je doen. Pas toen waren mijn ouders bereid het project te financieren.” De naam Zinsou opent heel wat deuren, zegt ze, en dat is maar goed ook, anders was het met de Fondation nooit zover gekomen. Want geld verdienen doet ze er niet mee. Alle exposities zijn gratis, de catalogi worden met verlies verkocht. „Nee, het is geen liefdadigheid. Noem het een kwestie van algemeen belang. Ik vind dit belangrijk voor de cultuur van Benin, ik zie het als een soort burgerplicht. Ieder draagt bij op zijn niveau. Ik heb het geluk dat we volledig onafhankelijk zijn.”