Het rookverbod is een uiting van wraakzucht en morele paniek

Rokers mogen niet meedoen aan het ‘samen leven, samen werken’ van het kabinet. Antirookcampagnes tot zuivering van moraal en soms zelfs van ras zijn van alle tijden. De paus. Later volgden de nazi's. Gelijktijdig met morele paniek over illegalen begon Californië de huidige wereldwijde golf van rookverboden.

Hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en Cultuur aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hij wil stoppen met roken.

Het Turkse koffiehuis dat ik bezocht, was bijna leeg. Ook hier komt het rookverbod hard aan. Net als in de Marokkaanse theehuizen waarschijnlijk. Over de effecten van het verbod op de theehuiscultuur van het mannelijke deel der etnische minderheden in Nederland horen we weinig. Op tv zien we louter autochtone cafébezoekers in Den Bosch die, volgens de Journaallezer, ‘gewoon doorpaffen’. Het woordgebruik suggereert intussen al dat rokers niet alleen geboren verliezers en neuroten zijn maar letterlijk en figuurlijk vuurgevaarlijke types. Voor de anderen vooral.

De haat en de wraakzucht tegen de rokers zijn groot. Zij hebben zo lang geleden onder de rookwalmen van sigaar, pijp en sigaret. En nu blijken die verrekte rokers het onder elkaar gezelliger te hebben dan zijzelf. De hardheid waarmee dit kabinet in navolging van buitenlandse overheden het rookverbod nu met steun van een meerderheid van de bevolking wil afdwingen, vraagt om een verklaring. Deze heeft de verontrustende ondertonen die elke moral panic in zich draagt: het zich bedreigd voelen door een minderheid die het heil en welzijn van de meerderheid zou bedreigen. Aanvallen van morele paniek gaan vrijwel altijd over seks, drugs en dood. En over status: het lijkt wel of menigeen zich alleen nog boven de ander verheven kan voelen als hij/zij niet rookt.

In de geschiedenis van antirookcampagnes in het Westen zijn er drie opmerkelijke aanjagers van het verbod: de paus, de nazi’s, en de staat Californië. Het eerste rookverbod werd volgens de auteur van het boek Nicotine, Jack E. Henningfield, uitgevaardigd door paus Urbanus VII in 1590. Hij dreigde iedereen te excommuniceren die in de kerk of in het voorportaal tabak kauwde, rookte of snoof. Het zou de wierookgeur van heiligheid corrumperen. De nazi’s, de adepten van arische Körperkultur en Reinheit, hadden, aldus de Stanford-hoogleraar Geschiedenis van de Wetenschap Robert N. Proctor, geen religieuze maar ‘raciale hygiëne’ op het oog bij het bestrijden van de tabak, zoals ze ook asbest en anorganische voedingsmiddelen bestreden. De nazipropagandisten lieten in de oorlog ook niet na erop te wijzen dat de drie fascistische leiders in Europa (Mussolini, Franco en Hitler) niet rookten, terwijl de Geallieerde leiders (Churchill, Roosevelt en Stalin) zware gebruikers waren.

De antirookcampagne heeft elementen in zich van de drang naar religieuze en soms zelfs raciale zuiverheid, en van sociale uitsluiting van de dichterbij komende ‘Opstand der hordes’ (Ortega y Gasset). Dat wordt ook bewezen in het oord waar de huidige campagne is begonnen: Californië waar in de jaren 60 de hippies in een walm van marihuana hun bevrijdende ideetjes over het Westen uitbliezen. Daar werden vanaf begin jaren 90 met overheidssubsidie de hardste en schokkendste antirookcommercials uitgezonden, zoals een vrouw die een sigaret rookte door een gat in haar keel, een gevolg van keelkanker. En een Marlboro Man die tegen zijn macho maat zegt vanaf zijn paard: ‘Ik mis mijn long, Bob’. Alleen zo kon de indruk tenietgedaan worden die de tabaksindustrie in de halve eeuw ervoor had gevestigd, dat sigaretten een vleug glamour hebben.

De campagne kwam in dezelfde tijd op gang dat men de negen witte letters op die nabije heuvel – Hollywood – vaak niet eens kon zien, door de smog van auto’s. De vraag is dus waarom het daar begon, en sindsdien via New York is overgewaaid naar Europa, de vliegvelden eerst en daarna naar vele of alle openbare gebouwen, inclusief de horeca, op last van nationale overheden, Ierland voorop. Dat hierbij commerciële motieven en de imitatiezucht van New York – in vele staten geldt geen rookverbod in de horeca – een rol speelden, lijkt wel vast te staan. Net zoals je nu in hotels gevraagd wordt een handdoek twee keer te gebruiken, of anders op de grond te gooien, to save the planet, zo is een rookverbod simpelweg goedkoper omdat het minder schoonmaakkosten meebrengt.

Het verontrustende aan de antirookcampagne in Californië is dat het direct volgde op de morele paniek over de aanzwellende immigratie van illegale Mexicanen. De Amerikaanse hoogleraar strafrecht Michael Welch heeft de criminalisering van illegale immigranten begin jaren 90 in Californië uitvoerig beschreven. Een van de onbewuste drijfveren van de antirook-campagnes in Californië was fysiek afstand te scheppen van de rokende immigranten, van wie ook werd gezegd dat ze allerlei akelige ziektes meebrachten. Net zoals rond 1900 het gebruik van parfum snel om zich heen greep in ‘de betere stand’ om de immigranten van het platteland naar de stad, die met hun zweetgeur van de lichamelijke arbeid, fysiek van zich af te houden door het aanbrengen van een geurende cirkel van onaanraakbaarheid.

De cultus van de onaanraakbaarheid is, na Amerika, ook in Europa opgekomen in dezelfde jaren van de komst van de multiculturele samenleving, al spelen hier net als in de sociaal-culturele verspreiding van de taboeïsering van het roken, vanzelfsprekend allerlei factoren een rol. Maar opmerkelijk is het dat in de decennia voor 1990 Frans Halsema nog een ironisch liedje kon zingen ‘Dr. Meinsma’, over die even fameuze als eenzame rookbestrijder van toen, met als conclusie: Dr. Meinsma, ik heb weer gezondigd.

Sindsdien heeft de nadruk op de eigen gezondheid en de dominant geworden moraal – ik mag anderen nergens mee lastig vallen – geleid tot algemene acceptatie van een rookverbod, waarin het pseudoreligieuze schuldgevoel een grote rol speelt. Het is niet anders, het is de loop van de geschiedenis. Maar het rookverbod is een versterking van de tendens tot segregatie, niet alleen tussen autochtonen en etnische minderheden met een andere cultuur, maar ook tussen de autochtone burgers onderling. Op het verbieden van dit of dat is niets tegen, maar met het motto ‘Samen werken, samen leven’ heeft het niets te maken.