Heeze-Geldrop

In Heeze staat om de zoveel meter een kratje aan de stoeprand, voor het opruimen van het afgevallen blad. De bewoners zijn wel wijzer: de kratjes zijn leeg, de straten liggen vol – want dat gekrulde reliëf vrolijkt de klinkers op. En omdat er niemand doorheen sloft, neemt de wind het knisperen en buitelen van de dorre blaadjes voor zijn rekening.

De opwapperende bladeren wijzen de weg naar een bokkig kasteel met in zijn wapen drie hijgende hondenkoppen (doggen). Terwijl we het passeren, wippen de eenden één voor één de slotgracht in. Die is honingkleurig want ook weer afgedekt met dood blad.

Achter het kasteel werd honderd jaar geleden een bos aangelegd zoals het hoort: gestuurd door de kalmte van rechte lanen en met tussen de, lege, takken van de bomen ruimte voor beneveld licht. Op de bodem van het woudje doen plukken mos of ze pelsdiertjes zijn. De paden zijn van hard zand of van zuigende modder met plassen. In een beek veegt het water zachtgele grond aan. Ver weg draagt een schot bij aan de sfeer. Eén knal is goed. Meer was aanstellerij geweest.

Dit bonkige land doet het dus goed onder dit rustige herfstweer.

Na een vreemde kaalgeslagen hoek met stronken en rupsbandsporen komt de heide in zicht. Eerst per glimp, tussen berkenstammen door die zo dun zijn dat het lijkt of ze staan te trillen. En dan spreidt de hei zich uit in haar volle glorie. Het landschap vervloeit, je kunt niet precies aanwijzen waar het veld ophoudt en de omringende bomen beginnen, en evenmin waar hun kruinen zich nou scheiden van de grauwvel-hemel erboven. Alles is één.

Tussen het hoge scherpe, stro-gelijke gras en de beginnende sparren suddert het curieuze bruin van de niet-bloeiende heideplantjes.

Die paar bolle witte broodjes daar? Dat zijn de schapen, die dienst hebben om de heide zo tijdloos mogelijk voor de dag te laten komen.

Man loopt met zijn hoofd in zijn nek, want hij kijkt naar sur-place-fladderende roofvogels. „Valken”, zegt hij.

Er duikt een valk het veld in, een compacte verenbal, hij maakt een strakke lijn, alsof hij door een hemelse katapult werd gelanceerd.

Even later vliegt hij weer op. „Ik zie ’m niet azen”, zegt man geheimzinnig (hij heeft onlangs het boek De valk van Kester Freriks verslonden, vandaar).

In een ven jaagt een witte reiger. Behoedzaam wadend, met zijn lange hals als geheim wapen. Plons, doet de kleine kop. Altijd beet.

Joyce Roodnat

13,5 km. Kaarten 1 en 2 uit: Brabants Vennenpad. Ook als NS-wandeling: ‘Strabrechtse Heide’. Tussen Heeze en Geldrop rijdt elk half uur een trein.