Géén kluk-kluk

Wanneer begon het woord ‘allochtoon’ hier akelig te klinken?

We waren in Plymouth, Massachusetts. We wilden zien waar de pilgrims in 1620 vanuit Engeland Amerika bereikten. Een jaar later vierden ze hun eerste oogstfeest, samen met Wampanoag indianen, die niet te vertrouwen leken, maar van wie ze toch maar maïs hadden leren verbouwen.

Kinderen horen daarover hier op school alle fascinerende details („De indianen staken dode vissen in de grond! Daar gróeit mais van!”) Vooral in deze tijd van het jaar, want het gaat om de oorsprong van Thanksgiving, dat wordt gevierd op de vierde donderdag van november. Thanksgiving is belangrijker dan Kerstmis. In december heb je ook nog Hanukka en Kwanzaa, maar Thanksgiving is van iedereen.

In Plymouth is nu een openluchtmuseum: de eerste nederzetting van de pilgrims, met acteurs. Ook is er een indianendorp. Voordat je dat betreedt, moet je langs een waarschuwingsbord. Dat maant bezoekers het woord „indiaan” te mijden. De mensen die in lendendoek rondlopen, zijn namelijk geen acteurs maar afstammelingen van de oorspronkelijke Wampanoags. Zij vinden het woord ‘indiaan’ een belediging. Ook als ze tegen een salaris een verentooi dragen, verdienen ze respect.

We moesten de Wampanoags, als we er eentje zouden tegenkomen, „native people” noemen van het bord. We mochten vooral niet beginnen over dingen die kinderen nu eenmaal hoog zitten, zoals vechten met pijl en boog en het zeggen van „kluk-kluk”. Wij moesten voorkomen dat de inheemse personen zich gestigmatiseerd zouden voelen.

Dat bord was een mooi voorbeeld van het omzwachtelde sociaal verkeer in Amerika, waarover het leuk grappen maken is, totdat je er aan went en denkt: maar waarom ook niet? Dat moment valt ongeveer samen met de dag dat het akelig begint te klinken als Nederlandse vrienden over „allochtonen” praten.

Wat Amerikanen doen, dat noemde ik vroeger ‘politiek correct’. En politiek correct zijn, dat was overdreven. Na Pim Fortuyn werd het zelfs fout gedrag, maar van die school was ik nu ook weer niet.

Hier leerde ik, na maanden struikelen, om moeiteloos „Afro-American” te zeggen. Dat je het mag hebben over „black Americans” versus „white Americans”. Maar liever niet over „blacks”. En dat „black people” eventueel kan, zij het niet onder alle omstandigheden. Dat je het woord „negro” beter kunt mijden.

Het komt niet doordat Obama president wordt. Al lijkt het nu logisch er eens over te beginnen: wie wordt gegrepen door de verkiezing van een zwarte president en wil níet weten hoe alledaagse Amerikanen zijn pad hielpen effenen? Gewoon door de manier waarop ze met elkaar omgaan?

Het komt doordat ik in mijn eerste onzekere maanden hier nooit ben buitengesloten. Wildvreemden haalden me nieuwsgierig hun leven binnen, vaak gretig naar het onbekende. Er blijven natuurlijk genoeg Amerikanen over die mensen met een andere achtergrond verdacht vinden. Maar ‘allochtoon’, ‘alien’, ben ik hier alleen bij de douane op het vliegveld, als ik de goede rij moet kiezen.

Het komt ook door scholen met twintig nationaliteiten, die hier geen ‘zwarte school’ worden genoemd, maar een ‘diverse’ school. En dat is dan een pre.

Het komt door je sociale plicht om met het andere vertrouwd te raken, zoals tijdens ‘zwarte geschiedenis maand’. En door dagen als Rosh Hashanah, als je vanzelfsprekend „gelukkig nieuwjaar” tegen Joodse buurtgenoten zegt. Door de tranen van de Caraïbische moeder komt het, terwijl we praten over Halloween, want zij is bijgelovig en doodsbang voor de heksen en de doodskoppen aan de huizen. Maar natuurlijk gaat ze met haar kinderen langs de deuren.

En hier zou ik dan nog een leuke moslim willen opvoeren. Maar zij zijn in Washington zo grondig geïntegreerd, dat je ze nauwelijks herkent. Ik geloof dat mijn kapper een moslim is, maar daar kunnen we hier niet veel mee. Ik vind hem vooral te duur en onuitstaanbaar eigenwijs, want hij luistert nooit. Hij vindt zichzelf in de eerste plaats een „haarartiest” en mij onmogelijk. Dáár bekvechten we over.

Ook na de verkiezing van Obama woon ik nog in één van de meest gesegregeerde steden van Amerika. Zwarte mensen wonen aan de andere kant van de rivier. Er zijn hier nog decennia van armoede en waardeloos onderwijs goed te maken. Maar daar, in zuidoost-Washington, geloven ze al wel voorzichtig dat ze welkom zijn om de rivier over te steken. Omdat ze Afro-Amerikanen zijn.

‘Allochtoon’ zeggen gaat dus niet meer. ‘Marokkaanse Nederlanders’ lukt goed. Of ‘Somalische Nederlanders’, of ‘Turkse Nederlanders’. Of „Nederlanders van Marokkaanse afkomst”, enzovoort, dat kan ook.

Noem het Amerikaans en overdreven, maar waarom ook niet?

Dat „Marokkaanse Nederlander” een mond vol is, dát kan het probleem toch niet zijn?

Het ministerie van VROM noemt haar deze week aangetreden minister – en ik kopieer hier de VROM-website – „programmaminister voor integratie en inburgering (inclusief ‘ceremonie’), coördinatie integratie minderheden, antidiscriminatie, Grotestedenbeleid, wonen, huisvesting….” Enzovoort.

Ze hadden hem ook gewoon de nieuwe ‘minister Diverse Samenleving’ kunnen noemen. Als ze hadden gedurfd .