Engeland lijkt beetje op IJsland

Gaat Engeland IJsland achterna? George Osborne is zo onverstandig geweest om te zeggen dat Engeland voor een mogelijke „ineenstorting van het pond” staat als Gordon Brown niet behoedzaam genoeg leent. Vooraanstaande politici, ook die van de oppositie, zouden geen run op de munt mogen voorspellen, omdat datal tot paniek kan leiden. Niettemin heeft de financiële woordvoerder van de Britse oppositie wel de vinger op de zere plek gelegd.

Simpel gezegd heeft Engeland een zweem van ‘IJsland’ om zich heen hangen. De kleine eilandstaat werd op de knieën gedwongen toen buitenlanders hun vertrouwen verloren in het vermogen van de regering een banksysteem met enorme buitenlandse valutaschulden te redden, in een tijd dat het land ook een groot tekort op de handelsbalans kende. Toen buitenlanders weigerden de banken nog langer te financieren, gingen die failliet en raakte de munt in een vrije val.

De Britse excessen zijn minder extreem, maar te groot om er helemaal gerust op te zijn. De buitenlandse valutaschulden van Britse banken waren eind juni bijna drie maal zo hoog als het bruto binnenlands product, terwijl die van de IJslandse banken zeven maal zo hoog waren.

Uiteraard beschikten de Britse banken ook over grote buitenlandse valutavoorraden. Maar er was een verschil van 381 miljard dollar tussen de schulden en de reserves. De keerzijde van deze buitensporige buitenlandse valutaschulden bestaat uit een overschot aan ponden. Maar als het pond blijft dalen, zullen de schulden – gerekend in ponden – steeds groter worden, zodat in de bankbalansen een gat kan ontstaan.

Je kunt denken dat dat niet uitmaakt. Immers, de regering heeft de grote banken net geherkapitaliseerd en aangeboden tot een maximum van 250 miljard pond aan schulden te waarborgen. Bovendien garandeert de overheid zelfs de schulden in buitenlandse valuta’s. Het probleem is dat de eigen buitenlandse valutareserves van de overheid belachelijk klein zijn – slechts een tiende van de omvang van het valutagat van de banken.

Als puntje bij paaltje komt zou het dus wel eens kunnen dat de staat harde valuta’s moet lenen om zijn beloften te kunnen inlossen.

Als de particuliere sector veel buitenlandse valuta’s zou verdienen door de handel, zou de staat het benodigde geld in eigen land kunnen vinden.

Maar dat is niet het geval. Engeland heeft een groot tekort op de handelsbalans. Dat is lang niet zo erg als dat van IJsland, dat sinds 2004 steeds hoger was dan 10 procent van het bbp. Maar met 3 procent van het bbp is Engeland nog steeds afhankelijk van het aantrekken van zo’n 40 miljard pond per jaar buitenlandse valuta’s om het handelstekort te dichten.

Tenslotte is er nog het probleem waar Osborne op duidde – de eigen leenactiviteiten van Brown. De regering heeft een groot budgettekort, dat op natuurlijke wijze zal groeien naarmate de recessie harder bijt en de belastinginkomsten afnemen. Brown wil het tekort nu nog verder vergroten, om te voorkomen dat de recessie in een inzinking verandert. Alles bij elkaar genomen zou het tekort volgend jaar de 5 procent kunnen bereiken.

Normaal gesproken zou Brown dat geld gewoon kunnen lenen door staatsobligaties te verkopen, vooral aan buitenlanders. Maar in deze koortsige tijden kan er een grens zijn aan de sterlingschulden die de wereld op zich wil nemen.

Er heeft zich al een scherpe daling van de wisselkoers van het pond voorgedaan: de afgelopen maand alleen al 10 procent ten opzichte van een mandje van buitenlandse valuta’s, en nog meer ten opzichte van de dollar. Maar als er sprake is van een verlies aan vertrouwen, kunnen de zaken zich steeds sneller ontwikkelen. Misschien zijn het dan niet alleen meer buitenlanders die aarzelen de Britse schulden nog langer te financieren; er zou kapitaalvlucht kunnen ontstaan als de Britten zelf hun ponden gaan omzetten in hardere valuta’s.

Zo’n scenario is zeker niet onvermijdelijk. Maar het zou beter zijn om er zo ver mogelijk vandaan te blijven. Helaas bestaat er geen snelle manier om een van de drie bronnen van kwetsbaarheid aan te pakken – het tekort aan buitenlandse valuta’s bij de banken, het tekort op de handelsbalans en het begrotingstekort. En op de korte termijn bepleit Brown terecht een bescheiden fiscale stimulans om de recessie op te vangen – al moet die wel van tijdelijke aard zijn.

Dit alles kan heel makkelijk in tranen eindigen als de premier niet tevens met een geloofwaardig middellangetermijnplan komt om de begroting en de betalingsbalans weer in evenwicht te brengen, naast een reparatie van het toezicht om te voorkomen dat de banken te weinig valuta’s achter de hand houden.

Alleen woorden zullen niet werken. Brown heeft het, toen hij nog minister van Financiën was, te vaak over behoedzaamheid gehad om hem op dit punt nog geloofwaardig te laten zijn. Nodig is een institutioneel kader dat regeringen dwingt te sparen als de goede tijden weerkeren. En dat kan Brown zelfs nog moeilijker beloven, omdat het onwaarschijnlijk is dat hij dan nog premier zal zijn.

Idealiter zou er een overeenkomst tussen de grote partijen moeten komen over de weg voorwaarts. Maar jammer genoeg lijkt dat, nu de regering en de voornaamste oppositiepartij proberen de economische crisis te gebruiken als een manier om punten te scoren, verder weg dan ooit.