De zetel van Allah

Langs een Ethiopische snelweg bouwt Waiso aan een stelsel van grotten. Ingegeven door „een droom van Allah”. Intussen verdient hij goed aan de toeristen die komen kijken.

‘Toen trok een kerel, zo dik als vier man, een boom uit de grond. Aldus begon de bouw van de grot.” Ergens langs een Ethiopische snelweg, net ten zuiden van het hectische Shashemene, woont Mohammed Waiso. De parttime agrariër deelt er een eenvoudige boerderij met enkele van zijn zes vrouwen, een handvol kinderen en binnenshuis bivakkerend vee. Het is een woning zoals vele andere – er hangt de geur van gebrande koffie en de zure walm van injera-pannekoeken. De achtertuin, echter, is een ander verhaal. Daar werkt Waiso al dertig jaar onafgebroken aan de bouw van een grottenstelsel. „Ingegeven”, zoals hij beweert, „door een droom van Allah”.

De naam Waiso – of beter: ‘die holbewoner’ – hoorde ik voor het eerst in het nabijgelegen Awassa. Een van de rijkste ondernemers van de hoofdstad Addis Abeba zou Waiso 750.000 birr (ongeveer 50.000 euro) voor zijn grotten hebben geboden. De bieder was streng heengezonden. Mijn Ethiopische vrienden konden hun lachen nauwelijks bedwingen. Welke gek zei nee tegen zo’n fortuin? Ik schortte mijn oordeel liever op. Mogelijk was Waiso een waanzinnige, mogelijk was hij het omgekeerde. In dit arme land moest je meer dan geschift zijn om de simpele taal van geld niet te begrijpen. Begreep Waiso de taal soms beter dan anderen? Zou er een langetermijnvisie achter steken?

De grotten van Denaba, zoals Waiso’s levenswerk heet, zijn niet moeilijk te vinden: een handgeschilderd Pepsi-bord kondigt ze van verre aan. Waiso komt me tegemoet in een voetbalshirt en met een baseballpetje op zijn getaande hoofd. Hij gebaart. Ja, ja, uitleg zal volgen, maar vlug, eerst een rondleiding door de grotten. In de verte kondigt zich de zoveelste onweersbui van dit regenseizoen aan.

De rondleiding wordt verzorgd door Waiso’s zoon, die ons opwacht met olielampen en elektrische handfakkels. De zoon is jonger dan je verwachten zou – het gelaat van zijn vader is dat van een bejaarde, al beweert Waiso pas drieënvijftig te zijn. Ik heb mijn twijfels – rekenen is niet een gekend Ethiopisch talent. Maar evengoed zou het het resultaat kunnen zijn van een hard leven, waarin Waiso tonnen steen losbikte en maar liefst zeven kinderen begraven moest.

Bukkend betreden we het donker van de grotten. Het plafond is bros. Gruis nestelt zich in mijn haar.

Waiso’s creatie is een aaneenschakeling van ondergrondse kamers en gangen. Eén gang is vijftien meter lang, een tweede zeker honderd. Eraan verbonden zijn grotere ruimtes, nissen en kleine doorgangen. Er is een kantoor met een stenen bureau, er zijn slaapkamers met stenen bedden en zitkamers met stenen stoelen. Hier kunnen vrienden zitten om koffie te drinken of qat te kauwen; er worden feesten gegeven en bruiloften georganiseerd. Over alles lijkt nagedacht: een plek om een tv neer te zetten, of een koelkast, een systeem om water weg te voeren naar een speciale ‘overstroomkamer’ die de rest van de grotten droog houdt. Zelfs al gebruikte Waiso in toenemende mate dagloners om hem gedurende dertig jaar arbeid bij te staan, de omvang van het complex gaat het verstand te boven. Vergelijkbare werken in Lalibela – waar de gelijknamige koning in de Middeleeuwen rotskerken liet uithouwen – vergden het zweet en bloed van veertigduizend arbeiders.

Later, in de bouwval langs autoroute 6, beantwoordt Waiso mijn vragen. Het begon met een reeks dromen, zegt hij, elke vijftien dagen één, misschien wel een jaar lang. Dit was eind jaren zeventig – of begin jaren zeventig, als je de afwijkende Ethiopische kalender zou aanhouden. „Allah gaf me opdracht de grotten te bouwen. Drie stuks moesten het worden. Eén van vijftien meter diep en twee van honderd meter. Twee heb ik er nu voltooid. Nog iets minder dan honderd meter te gaan.”

De dromen brachten hem regelmatig in conflict met de gemeenschap. In één droom zag hij een christelijk-orthodoxe kerk. Hoe was dat mogelijk, als vrome moslim? De dorpelingen verstootten hem, ervan overtuigd dat hij door het kwaad bevangen was. Later kwam er dan een droom die beter beviel, zodat hij weer in de armen werd gesloten. Waiso: „Zelf interpreteer ik zo’n droom als Allah’s wens de grotten open te stellen voor mensen van álle gezindten.” Financieel geen ongunstig standpunt, vermoed ik.

De grotten van Denaba moeten worden gezien als een levensles in de vorm van een gebouw. De korte gang representeert de dagelijkse bezigheden van de mens: eten, werken, familieleven; de lange een heel mensenleven en de grotere krachten die er vorm aan geven: oorlog, politiek, moraliteit, onderwijs. De nog goeddeels aan te leggen grot zal leeg blijven. Dat is de zetel van Allah. Waiso: „Tussen twee van de gangen heb ik stiekem een kleine doorgang gemaakt. Eén die niet door Allah’s wens is ingegeven. Het staat voor de menselijke neiging slecht te doen, af te wijken van het pad van Allah. We proberen even uit zijn zicht te piepen – voor seks, drankzucht of ander kwaad. Maar Allah ziet álles.”

In het park, Waiso’s achtertuin, kunnen bezoekers het leven overdenken. Waiso heeft er houten verhogingen voor aangelegd. „Je komt los van het Aardse, met vrij uitzicht over het land.” Aldus verlicht mag je, geheel vrijblijvend natuurlijk, een donatie doen. Lachend: „Sommige mensen geven vijfhonderd birr. En wie arm is slechts twintig.”

De locatie ontleende Waiso aan een droom over een dikke man die een boom uit de grond rukte. Waiso velde er zelf één, waarna het geslagen gat een tijdje dienst deed als drinkplaats. Mensen uit de omgeving stroomden toe met vee en Waiso werd een leidersfiguur in de gemeenschap. Tot hij besloot zijn dromen te volgen en aan het graven sloeg. Waiso: „Toen ik vier meter diep was, begonnen de dorpelingen me andermaal te verketteren. De lucht is het domein van het goddelijke, zeiden ze, de bodem is het domein van het kwaad. Ik dacht: nou, bekijk het allemaal maar. Dan maak ik er wel een toeristische attractie van!”

Daarin schuilt natuurlijk de crux.

Het was me al opgevallen dat Waiso’s zoon tijdens vaders vrome verhalen schaapachtig had zitten lachen. Hij had het allemaal al eens gehoord en dacht er duidelijk het zijne van. Waarschijnlijk omdat Waiso er zélf het zijne van denkt. Waiso heeft in dertig jaar 90.000 birr in het graven van zijn grotten gestoken. Slechts 10 procent daarvan, beweert hij, is opgebracht door donaties van bezoekers, de rest zou hij zelf met boerenarbeid hebben vergaard. „Ik heb veel geleden en geofferd, maar zo is de wil van Allah.” Tegelijk weet hij dat er dagelijks ten minste tien bezoekers naar zijn grotten komen. Al gaven ze gemiddeld maar één birr – en de meesten geven het twintigvoudige daarvan – dan nog heeft de grot al meer dan een ton opgebracht aan giften. Rijk is Waiso niet geworden, maar hij is eerder ondernemer dan godsdienstwaanzinnige. Iemand die de honger naar mooie verhalen begrijpt, maar ook doordrongen is van de mogelijkheid deze op termijn om te zetten in harde valuta.

Daartoe heeft Waiso grote plannen. Zijn laatste grot moet voltooid worden en hij hoopt het huidige aantal van tien slaapplaatsen te kunnen uitbreiden naar honderd. Bovendien heeft hij toestemming gevraagd voor het graven van een nog grotere grot, waar een autoweg doorheen kan. Drive-thru toerisme, een unicum in Ethiopië! „En dat is geen grap”, verzekert hij.

„Heeft u daarom het bod van 750.000 dirr afgeslagen?”

Waiso knikt. „Ik heb deze man een tegenvoorstel gedaan. Vijf miljoen birr, voor een licentiedeal waarbij ikzelf grootaandeelhouder zal blijven van de grotten.”

In de zijkamer leegt een koe haar blaas op de stenen vloer – even neemt het gesprek de dimensies aan van een Monty Python-sketch.

Het is twijfelachtig of Waiso lang genoeg zal leven om de voltooiing van zijn levenswerk mee te maken. In Ethiopië komt de dood vroeg in de avond. Wat zal er van de grotten worden? Waiso knikt ernstig. „Een westerse man reisde de hele wereld over om genezing te zoeken voor de dood. In Ethiopië kwam hij een zeer wijs man tegen. ‘De genezing is vlakbij’, zei de wijze man. ‘Maar hoe?’ vroeg de westerling. En de wijze man zei: ‘Het medicijn heet: kinderen’.”

Waiso legt een hand op het hoofd van zijn sneakers dragende zoon. Die is het lachen vergaan. En ik denk: op termijn zal 750.000 birr wel degelijk voldoende blijken om eigenaar te worden van de grotten van Denaba.