'De aftastfase van het hofmaken is voorbij'

Yannick Nézet-Séguin is de nieuwe chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Deze maand leidt hij zijn eerste concerten „in functie”.

Het lijkt alsof hij er al tijden is. Maar hoewel Yannick Nézet-Séguin al zes concertreeksen leidde bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, werd hij pas afgelopen week officieel ingehaald als chef-dirigent.

U zei eerder: als opvolger van Valery Gergjev treed ik in zware voetsporen. Hoe bevalt dat tot dusverre?

„Ik kan grappen maken over Gergjevs repeteermethoden, maar dat wil ik niet. Wel is het zo dat je duidelijk merkt dat Gergjev erop gericht was de spontaniteit tijdens concerten te behouden. Het orkest is bereid op het laatste moment alles te geven. Het kan dan overtuigen, het is grillig en gretig. Die kwaliteit wil ik mengen met grondige repetities. Die hoeven spontaniteit echt niet in de weg te staan.”

U stelt zich benaderbaar op; musici noemen u gewoon ‘Yannick’. Bijt dat niet met uw chef-status?

„Nee, ik probeer mijn leiderschap op eerlijkheid te baseren. Ik neem de inbreng van de musici serieus en doe niet net alsof mijn interpretaties zaligmakend zijn. Maar uiteindelijk heeft het orkest één kapitein nodig. Door de openheid van het proces, accepteert het dan dat ik dat ben. Mijn doel is dat iedereen, elke individuele musicus, echt zijn hart in zijn spel legt. Dat is zo persoonlijk en emotioneel – een aanpak van domweg bevelen botst daarmee. ”

In Montréal nodigt u musici zelfs thuis uit voor nachtelijke feestjes.

„Zoiets groeit, ik werk daar al acht jaar. Wat veelzeggend is: de musici noemen me er bij repetities ‘Maestro’ en op feestjes ‘Yannick’. U heeft gelijk, hoor: zo’n open contact maakt kwetsbaar. Maar dat werkt twee kanten op. Door die wederzijdse kwetsbaarheid, wordt het geheel juist weer sterker.”

Klinkt als een boekjesaanbeveling van het huwelijk.

„Ha ha, die overeenkomstigheid is er ook echt. Tijdens de eerste date met een orkest ben je op je hoede; je tast elkaar af. Dan hoop je dat de tweede date soepeler verloopt. Soms is dat zo; dan verdiept het contact zich en zie je een toekomst. Soms ook helemaal niet.”

Met het RPhO had u een ‘poweraffair’: het koos u snel en unaniem als muzikaal leider. Hoe nu verder?

„Er zijn meer lijnen. Zoals elke nieuwe chef moet ik focussen op muziek die niet al het kernrepertoire was van mijn voorganger, Valery Gergjev. Anders gezegd: de boot bijsturen, vergelijkingen voorkomen. Dat doet elke nieuwe chef, hoor. Ik zet dus mijn eigen lijnen uit. Beethoven, meer Franse muziek. Maar mijn lievelingsrepertoire overlapt voor een deel ook met dat van Gergjev. Bruckner en Mahler; daar ligt mijn hart óók.

U heeft wel een extreem brede smaak. Wat dirigeert u niet?

„Weinig – al moet ik mijn eerste Sacre du Printemps nog doen. Ik heb mijn brede inzetbaarheid bewust gecultiveerd. Dat generalisme is iets van mijn generatie, denk ik. Het staat de noodzaak van echte specialisten niet in de weg. Maar ik denk wel dat de rol van een symfonieorkest nu en in de toekomst kan en moet zijn om dwarsverbanden te laten horen tussen alle stijlen in de vierhonderdjarige westerse muziekgeschiedenis.”

En de muziek van nu dan?

„Dat mijn persoonlijke muzikale ontwikkeling in andere richtingen is gegaan, wil niet zeggen dat ik niet geïnteresseerd ben in nieuwe muziek – integendeel. Ik vind het heel belangrijk dat het orkest aansluiting zoekt bij het moderne aspect van Rotterdam, zoals dat in het karakter van de stad, de musea, de architectuur wordt weerspiegeld. Over opdrachten aan componisten ben ik aan het nadenken.”

Die moderne stad staat óók bekend om het conservatieve publiek.

„Juist daarom is het ontwikkelen van publiek zo wezenlijk, op vele fronten. We moeten een nieuw publiek zien te bereiken, maar ook de smaak van het bestaande publiek ontwikkelen. Er moet een vertrouwensband ontstaan tussen publiek en orkest. Er is het repertoire dat zij mooi vinden, maar ook dat wat ze mooi zouden kunnen vinden. Publiek moet erop leren vertrouwen dat ze met het orkest en mijzelf of enkele terugkerende gastdirigenten een fijne avond zullen hebben. Zodat ze een kaartje kopen op basis van wie er speelt, niet op wat er speelt.”

Als ander aspect van publieksontwikkeling noemde u ooit: meer zichtbaarheid creëren in de stad. Community Arts. Wordt dat wat?

„Dat is volop in ontwikkeling. We zijn bezig met een festivalachtig project voor scholieren en jongeren, in samenwerking met andere instellingen in de stad. Met als doel scholieren van verschillende culturen én hun ouders naar De Doelen te trekken. Bij Community Arts is het proces belangrijker dan het eindresultaat. Maar het kost veel tijd om dergelijke projecten op te zetten, en ervoor te zorgen dat mensen gedurende een paar maanden echt bij het orkest betrokken raken. Meer tijd dan ik dacht. Maar ik wil hoe dan ook werken aan een gevarieerd educatief aanbod presenteren, toegespitst op verschillende groepen.

Concerten speciaal voor ouderen of allochtonen – is dat denkbaar?

„Waarom niet? Al denk ik niet dat we die dan ook als ‘seniorenconcerten’ zouden verkopen, ha ha.”

Uw chef-schap is met negen weken in Rotterdam en zeven voor opera en de rest beperkt. Is het genoeg?

„Vier maanden noem ik niet ‘beperkt’, maar het zal wel druk zijn. Ik verlang ook erg naar een eigen huis, hier. Hopelijk teken ik nog deze week een koopcontract. Leven in een hotel is niet leuk, ook niet voor mijn vriend Pierre. Hij is altviolist in mijn orkest in Montréal en reist zo vaak als kan mee.”

Uw orkest in Montréal geldt, net als het RPhO, als ‘tweede’ van het land. Leidt dat tot psychische parallellen?

„Nee, elk orkest is anders, en die verschillen moet je cultiveren. Ik geloof trouwens sowieso niet zo in zulke rankings. Maar het is wel zo dat de adem van een ander orkest enorm in je voordeel werken. Mits je het vergelijken alleen gebruikt om je eigenheid aan te scherpen.”

In het geval van Rotterdam; hoe definieert u die eigenheid?

„Het is een orkest met een enorme stilistische veelzijdigheid, dat drijft op de individuele input van de spelers. Je hebt orkesten die zo gedisciplineerd zijn, dat iedereen in één lijn speelt met de aanvoerder van zijn groep. Dat is helder, maar maakt het moeilijk tot het hart van alle musici door te dringen. Hier heeft iedereen sterke ideeën over hoe het moet klinken. Dat is goed, maar betekent ook dat je binnen dat brede repertoire duidelijke stilistische afspraken moet maken. Binnen die kaders kunnen de musici zich dan vrij voelen.”

In vocale muziek bent u zeer succesvol. Wat merkt Rotterdam van uw passie voor opera en koormuziek?

„Ik ben als koorknaap begonnen met muziek – dat tekent je voor het leven. Ik zal ook hier dus veel vocale muziek gaan dirigeren. Het grappige is dat de grootste meesterwerken van veel componisten vocaal zijn. Beethovens Missa Solemnis, Mozarts Requiem. Ik ben dol op requiems. Wat gek is, want ik ben in wezen een vrolijk figuur.”

Vrolijk én gelovig, vertelde u eerder.

„Ik ben geen kerkganger, maar zal niet zoiets modieus zeggen als: ik geloof in ‘iets’, maar niet in God. Nee, ik ben gewoon rooms-katholiek. En ik merk ook dat ik de laatste tijd vaker bid voor concerten.”

O? Ik dacht altijd dat met de ervaring ook het zelfvertrouwen groeit.

„Ik ervaar het tegenovergestelde. Wat afneemt is de angst er niet bij te horen, je plek in de wereld niet te vinden. Maar omziend zie ik dat een deel van me vroeger óók dacht: als er in de muziekwereld geen plek voor me is, doe ik toch gewoon wat anders? Daardoor kon ik mijn muzikale werk onbezorgd doen. Succes vermorzelt die onbezorgdheid. Je wil verwachtingen inlossen. En inhoudelijk en menselijk steeds interessanter worden. Dat willen we toch allemaal? Daardoor neemt de stress toe, en roep ik soms hulp in. Om ervoor te kunnen zorgen dat de musici vervuld zijn, en de muziek zo zal klinken als de componist heeft bedoeld.”

Stressvol lijkt mij: drie vaste orkesten leiden en, alleen al dit seizoen, debuteren bij twee toporkesten.

„Ik heb absoluut niet het gevoel dat ik me versnipper. Toen ik vroeg in de twintig was combineerde ik het dirigeren met een algemene wetenschappelijke vooropleiding. Dát was stressvol. Nu draait alles gewoon om muziek.”

Uw carrière loopt gesmeerd. Moet Rotterdam zich al zorgen maken?

„Ik haat het als ik ergens lees dat Rotterdam „een leuk opstapje is geweest” voor talrijke dirigenten. Zo beschouw ik dat absoluut niet. Een opstapje, jakkes, alsof Gergjev er zo over dacht. Mijn grondgevoel hier is: dit is een plek waar ik een groot deel van mijn ontwikkeling kan doormaken. Daar veranderen mijn relaties met andere orkesten, ook de veel gerenommeerdere, niks aan. Al kan ik niet in de toekomst kijken. Misschien walgt Rotterdam over een paar jaar wel van me. Zoals gezegd: het is net een huwelijk.”

De meeste huwelijken maken de tien jaar wel vol.

„Daar zet ik ook op in. Minstens.”

Rot. Phil. Orkest/Y. Nézet-Séguin: 28-30/11, De Doelen, R’dam; www.rpho.nl