Crisis raakt ook populairste raceklasse in Amerika

Nascar maakte de afgelopen jaren een stormachtige groei door. Maar de populaire Amerikaanse raceklasse beleeft door de recessie donkere tijden.

Ward op den Brouw

Na 36 races prolongeerde Jimmie Johnson zondag in Miami zijn titel in de National Association for Stock Car Auto Racing, beter bekend alsNascar. Voor de derde achtereenvolgende keer was hij de beste coureur in de populairste raceklasse in de Verenigde Staten, in de competitie die elk jaar in februari begint met de Daytona 500. Daarmee leverde Johnson dezelfde prestatie als Cale Yarborough, een racelegende uit de jaren zeventig.

Maar het kampioenschap in de Nascar Sprint Cup Series raakte al snel op de achtergrond, als gevolg van de kredietcrisis en de neergang in de Amerikaanse auto-industrie. Mecaniciens die bang waren ontslagen te worden, boden hun diensten al aan bij concurrerende teams. Plotseling verkeert een tak van autosport die de afgelopen jaren juist een stormachtige groei doormaakte in een crisis.

Voor de teams wordt het door de economische recessie steeds moeilijker sponsors te vinden. Ook de fabrikanten van de auto’s waarin geracet wordt beleven donkere tijden. De Grote Drie – GM (vertegenwoordigd in Nascar met Chevrolet), Ford en Chrysler (Dodge) – hebben een lange traditie in het stockcarracen. Zij kregen in 2007 in Nascar voor het eerst gezelschap van een buitenlands merk, Toyota. Alle vier hebben ze de verkoopcijfers fors omlaag zien gaan, maar met de Grote Drie gaat het nog slechter dan met de Japanse concurrent. Afgelopen week deden de bazen van GM, Ford en Chrylser in Washington vergeefs een beroep op het Congres om een lening van 25 miljard dollar los te krijgen.

Bij de Nascar-teams vallen intussen flinke klappen. Vorige week werden er meer dan honderd werknemers ontslagen bij Dale Earnhardt Inc. (DEI), het bedrijf in Mooresville (North Carolina) dat werd opgezet door de populairste coureur die Nascar heeft gekend, Dale Earnhardt, in februari 2001 om het leven gekomen bij een crash op Daytona. Om het hoofd boven water te houden fuseert DEI met het team van Chip Ganassi – ook een begrip in de Amerikaanse autosport – waar in juli de ontslaggolf in Nascar begon toen daar 71 personeelsleden naar huis werden gestuurd. Die fusie werd vorige week bekendgemaakt.

Bij Ganassi rijdt oud-Formule 1-coureur Juan Pablo Montoya. Net als zijn teamgenoten zat de Colombiaan dit jaar achter het stuur van een Dodge, maar die zal hij in het nieuwe seizoen, dat weer in februari met de Daytona 500 begint, hebben ingeruild voor een Chevrolet. DEI levert als een van de belangrijkste klanten van GM de auto’s voor het nieuwe team, Earnhardt Ganassi Racing. Montoya heeft nog wel een probleem: hij beschikt nu over slechts de helft van het aantal benodigde sponsors voor het seizoen 2009.

Bij topteams als Hendrick Motorsports (met stercoureur Dale Earnhardt jr., kampioen Johnson en fenomeen Jeff Gordon), Joe Gibbs Racing en Roush Fenway Racing werd de organisatie dit jaar al ingekrompen, en in de dagen na de laatste race van het seizoen volgde het ene bericht van ontslagen op het andere: ruim twintig man eruit bij Petty Enterprises, het team van de legendarische oud-coureur Richard Petty, en bij de Wood Brothers. Ook werden ontslagen aangekondigd bij enkele van de kleinste teams, zoals Hall of Fame Racing, een speeltje van de bazen van de honkbalploeg Arizona Diamondbacks dat wordt gevormd door een team met één auto, een zogenoemde single-car operation, en 44 werknemers.

Net als in de Formule 1, waar afgelopen jaar het Japanse SuperAguri zich door geldproblemen terugtrok, verkeren de kleinste teams het dichtst bij de afgrond. Toen het raceseizoen dit jaar nog maar twee maanden oud was, hield het team van BAM Racing op te bestaan, omdat het racen te duur was geworden. De kosten om een team in Nascar draaiende te houden – volgens GM is voor één auto per jaar tussen de 20 en 25 miljoen dollar nodig – zijn hoger dan ooit tevoren. Meer fusies lijken dan ook op komst.

Een teameigenaar als Rick Hendrick, een van de meest succesvolle, ondervindt de recessie ook op een andere manier aan den lijve; hij verkoopt namelijk ook auto’s. Vooral Chevrolets, in een groot aantal dealerschappen in de VS. Begin deze week sprak hij op zijn website de hoop uit dat GM, Ford en Chrysler de lening van 25 miljard uit Washington zouden krijgen. „Want de Grote Drie vormen de ruggengraat van ons land.”

Om de kosten van de Nascar-teams te drukken, werd onlangs besloten dat er in 2009 aanzienlijk minder getest mag worden. Wat weer tot gevolg heeft dat de teams minder personeel nodig hebben. „We hebben steeds te veel geld uitgegeven”, zei zevenvoudig Nascar-kampioen en teameigenaar Petty deze week tegen het persbureau AP. „We hadden het allemaal zo goed dat we gewoon zijn doorgegaan zonder ons af te vragen: wat als het minder gaat?”

De baas van het familiebedrijf dat Nascar is, Brian France, bezocht onlangs de Grote Drie. Hoewel de toekomst van de Amerikaanse autoreuzen steeds onzekerder wordt, kreeg de kleinzoon van Nascar-oprichter William H.G. France van alle bazen de geruststellende mededeling te horen dat ze graag in de populairste autosportklasse van het land actief willen blijven. Het mag dan uitzonderlijk slecht gaan met GM, Ford en Chrysler, hun (potentiële) klanten zitten nog steeds op de tribunes bij de Nascar-races en voor de tv. Ook al worden dat er bij de races steeds minder.

Een vermindering van het aantal races – nu zijn het nog 36 – is voor Nascar voorlopig geen optie als middel om kosten te besparen.

De Nascar-coureurs slaan zich voorlopig wel door de crisis heen: 46 van hen verdienden afgelopen seizoen ten minste één miljoen dollar. Drievoudig kampioen Johnson reed sinds februari 7.354.860 dollar bij elkaar, de nummer twee won zelfs ruim acht miljoen dollar aan prijzengeld.

Bekijk beelden van drievoudig Nascar-kampioen Jimmie Johnson op nrc.nl/sport