Achter het hek

Op de Westoever waren deze week schermutselingen tussen Joodse kolonisten en Palestijnen. De kolonisten radicaliseren. „Niemand heeft ze meer in de hand.”

‘Ik ben de Heer, de God van je voorvader Abraham en de God van Izaäk. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven. Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en naar het oosten.” (Genesis 28:13)

Tussen de Palestijnse steden Ramallah en Nablus slingert een tweebaansweg, route 60. Israëlische militairen bekijken vanaf controleposten en wachttorens de auto’s die door het heuvelachtige landschap rijden. Auto’s met gele, Israëlische nummerborden mogen doorrijden. Groene, Palestijnse nummerborden zijn er schaars: die mogen alleen met speciale toestemming op de weg komen.

Halverwege slaat een weg af naar rechts. Achter een hek zijn de rode daken van de Joodse nederzetting Ofrah te zien. Rondrijdende Filippijnse bewakers, in het zwart gekleed en bewapend met pistool en uzi, houden in steenkolen-Hebreeuws ongewenste bezoekers tegen. Eenmaal door de poort lijkt de dorre realiteit van de Westelijke Jordaanoever ver weg. Kinderen hinkelen op een pleintje, terwijl een Filippijnse bewaker in de schaduw van een palmboom indommelt. De tuinen liggen er gemaaid en gesproeid bij. Moeders doen hun boodschappen. In het buurthuis tekenen mensen zich in voor de komende dienst in de plaatselijke synagoge. Wie het eerst komt, heeft de beste plaatsen.

Ofrah is een van de oudste Joodse nederzettingen in bezet gebied en daarmee van grote symbolische waarde voor de kolonistenbeweging. Het „vlaggenschip van de kolonisten”, zoals de schrijver en Haaretz-columnist Akiva Eldar zegt. Hij is auteur van Lords of the Land, het standaardwerk over de kolonistenbeweging. De nederzetting werd in 1975 gesticht, toen er nog nauwelijks Joden in bezet gebied woonden. Inmiddels wonen er meer dan 300.000 kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, en een paar honderdduizend in bezet Oost-Jeruzalem.

Mirav Gold is een vijftiger in lange rok die haar grijze haar verbergt onder een zwarte muts. Ze woont op de heuveltop die een bijna Toscaans uitzicht biedt op de Westelijke Jordaanoever. Ze excuseert zich voor de bewakers. De beveiliging hebben de kolonisten van Ofrah, zoals in zo veel andere nederzettingen, uitbesteed aan een particulier beveiligingsbureau. „In vroeger tijden konden we onszelf beschermen”, zegt ze. „Maar de tijden zijn moeilijker, agressiever geworden. We leven vooraan in de frontlinie.” Want dat, voegt ze er met een waarschuwend gebaar aan toe, wordt in de rest van de wereld vergeten. „Het is helaas onmogelijk een normale relatie te onderhouden met onze Arabische buurdorpen.”

Acht kinderen heeft ze, en ze heeft het bovendien druk met het organiseren van buurtactiviteiten. Voortdurend klinkt de Nokia Tune van haar mobiele telefoon. Mirav krijgt iedere ochtend als ze wakker wordt een „heel spiritueel gevoel” bij het idee dat ze in Ofrah woont, in het bijbelse Samaria. Dichtbij ligt Beit El (Huis van God), de plek waar aartsvader Jakob lag te slapen en een visioen van God kreeg. God beloofde hem dat het land waar hij lag van hem en zijn nakomelingen zou zijn. Mirav Gold vertelt het na alsof het gisteren gebeurd is. „Hier wonen mensen die zich verbonden voelen met het land. Het zijn doeners, met een sterk ontwikkeld gevoel voor religie. Ik voel me hier thuis.”

Het begon in 1975 in Ofrah, zoals overal, met een paar caravans. Opeens stonden ze er en de overheid wist niet wat te doen. Shimon Peres, toen minister van Defensie, zei dat het natuurlijk niet kón, zomaar land bewonen dat van de Palestijnen was. Maar een tijdje later kwam hij er zelf een boom planten. Nu wonen er meer dan drieduizend Joden, veelal Amerikanen. Aanstaande bewoners worden vaak in het buitenland geworven. Er staan, na een campagne in Frankrijk, tientallen Franse families op de wachtlijst om in Ofrah te gaan wonen. Rondom de dorpskern worden overal huizen bijgebouwd.

Ofrah, zegt schrijver Akiva Eldar, is een typisch product van de vroege kolonistenbeweging, die sinds 1967 langzaam begon met het bevolken van de heuvels van de Westelijke Jordaanoever. Het waren de euforische tijden na de Zesdaagse Oorlog van 1967, toen Israël zomaar Oost-Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever, de Sinaï, de Golanhoogvlakte en de Gazastrook veroverde op de Arabische buurlanden. Joden binnen en buiten Israël werden vervuld van een gevoel van onoverwinnelijkheid, zegt schrijver Akiva Eldar. „Een nieuwe golf van nationalistisch zionisme stroomde over de natie.”

Veel mensen, zegt Eldar, kregen het gevoel dat er een nieuwe, magische tijd was aangebroken, vergelijkbaar met die van hun grootouders in Europa, aan het einde van de negentiende eeuw. Die generatie is uiteindelijk naar Israël vertrokken om het land te stichten. „De kolonisten van na 1967 waren bovendien bezeten van een religieus besef. Het Bijbelse land van Judea en Samaria, zoals ze de Westelijke Jordaanoever noemen, was binnen een paar dagen weer in Joodse handen. Daar moest haast wel een goddelijke bedoeling achter liggen, redeneerden de invloedrijke rabbijnen.”

In de jaren erop begon onder aanvoering van kolonistenbeweging Gush Emunim (Blok van Getrouwen) de duizelingwekkend snelle bouw van nederzettingen in bezet gebied. Aanvankelijk met steun, of op zijn minst gedoogsteun, van de Israëlische overheid, die het grote strategische belang van de nederzettingen zag. Of er daarna nu een linkse of een rechtse regering was, de kolonisten bouwden. Inmiddels zijn er, volgens de Israëlische vredesorganisatie B’tselem, honderdtwintig door de overheid erkende nederzettingen op bezet gebied. Er zijn ongeveer honderd illegale nederzettingen.

Akiva Eldar zit op een terras naast de IKEA van Netanya. Hij wijst naar het winkelende publiek. „Ook deze mensen, doorsnee Israëliërs, vinden het vaak ergens wel mooi: een groep mensen die hun veilige leventje opgeeft en voor de Joodse zaak in een risicovol gebied gaat wonen. Erover praten, dat doen mensen liever niet. De politiek-correcte lijn is: Israël is een democratische rechtsstaat, en daar hoort niet bij dat mensen het recht in eigen hand nemen. Ze zien de kolonist als een alter ego, ’s nachts dromen veel mensen ervan ook eens naar de Westoever te trekken.”

„Dit land heeft mensen als wij nodig”, zegt Aliza Herbst met zwaar Texaans accent en gevoel voor een rake soundbite. Herbst heeft een pr-adviesbureau in New York, maar woont het grootste deel van het jaar met haar man in Ofrah. Ze werd eind jaren zestig gegrepen door het zionisme, toen ze nog in Texas woonde. In 1969 bezocht ze het Woodstock-festival in New York. Daar zag ze het licht. „De hippiebeweging stal mijn hart. De eeuwige drang naar vrijheid, te doen wat je maar wil en waar je maar wil.” Herbst besloot zich aan te sluiten bij de kolonisten, die volgens haar leven naar de idealen van de jaren zestig: „Pioniers dichtbij de natuur, die hun hart volgen en zich niets aantrekken van de waan van de dag. You know, ik kom uit Texas, het Wilde Westen. Maar daar is het niet zo wild meer. Zomaar een huis bouwen is er niet meer bij.”

Aliza Herbst maakt zich zorgen over het Israël aan de westelijke zijde van de Groene Lijn van 1967, die volgens het internationaal recht nog altijd als de grens van Israël geldt. Je leest zo veel nare verhalen, de laatste tijd. Over drugs, daklozen, tienerzwangerschappen, ja zelfs „interraciale huwelijken, Joden met Arabieren”. Het woord ‘Palestijnen’ gebruikt Herbst bewust niet. „Dat betekent: uit Palestina. Dan is mijn vader ook een Palestijn, want hij is in toenmalig Brits Palestina geboren. Ik noem ze Arabieren.”

Het strategische belang van Ofrah is immens, legt Herbst uit. In de lucht tekent ze een serie stippen. Van het noorden tot aan Jeruzalem, volgens Israël de eeuwige en ondeelbare hoofdstad, vormen de nederzettingen een lint, dwars door Palestijns gebied. De nederzettingen zijn via snelwegen met elkaar verbonden, die het Palestijnse land doormidden snijden. Het Israëlische leger heeft rondom de nederzettingen wachttorens en militaire bases gebouwd. De Palestijnse steden en dorpen op de Westelijke Jordaanoever zijn eilandjes geworden, enclaves rondom een ingenieus web van Israëlische dorpen, steden en wegen. Herbst: „In 2005 moesten we ons van de regering terugtrekken uit de Gazastrook. Je ziet wat daar gebeurd is: er kwamen raketten vanuit Gaza neer op onze steden, Sderot en Ashkelon. Terugtrekking biedt geen veiligheid, maar is een recept voor oorlog.”

Drie kwartier rijden ten noorden van Ofrah ligt de nederzetting Yitzhar, waar circa vijfhonderd kolonisten wonen. De inwoners van Yitzhar houden regelmatig huis in het nabijgelegen Palestijnse dorp Assira al-Kabaliya, onder toeziend oog van het Israëlische leger. Ze doodden een jongen die ze ervan verdachten een Joodse jongen te hebben neergestoken. Het geweld en de vernielingen gingen zo ver dat scheidend premier Olmert ze veroordeelde als „pogroms”.

De inwoners van Ofrah zijn solidair met hun broeders in Yitzhar, zegt Aliza Herbst. „Natuurlijk keuren we geweld af. Maar deze mensen zijn gefrustreerd tot op het bot. Ze zijn vogelvrij verklaard, want het leger beschermt hen niet tegen invallen van Arabieren. Olmert zou eens op zijn woorden moeten letten. Vind je het gek dat de maat een keer vol is?”

De Israëlische regering lijkt de controle op de kolonistenbeweging te verliezen, zegt schrijver Eldar. „Het geweld en de intimidatie nemen toe, en de middelen worden steeds grover. De uitspraak van Olmert tekent zijn machteloosheid. De beweging voelt zich niet langer geremd om geweld te gebruiken tegen wie er maar kritiek heeft.” Vorige maand explodeerde een bom die was bevestigd aan de voordeur van de kritische intellectueel Zeev Sternhell. De bejaarde schrijver raakte lichtgewond, maar in de omgeving van zijn huis zijn pamfletten gevonden die een beloning beloven aan iedereen die een prominent lid van de Israëlische vredesbeweging om het leven brengt. Eldar: „De kolonistenbeweging heeft altijd veel gezichten gehad. Er zijn mensen die worden aangetrokken door het rustige landleven, of mensen die een goedkope woning willen. Die mensen zijn wel uit hun huis te lokken, mocht de regering ooit eens besluiten tot terugtrekking uit de bezette gebieden. Maar de luidruchtige nationalistische beweging, nog altijd in de minderheid, wint aan aanhang en wordt steeds radicaler en ongedisciplineerder. Niemand heeft ze meer in de hand.”

De Heer zei tegen Abram: „Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.” (Genesis 12:1)

Jonathan Bechner, een 25-jarige medewerker van een kinderdagverblijf, kan zijn favoriete Bijbeltekst uit het hoofd opdreunen. In het boek Genesis krijgt aartsvader Abraham opdracht van God huis en haard te verlaten en naar het beloofde land te trekken. De verzen heeft Bechner vaak herhaald toen hij in 2001 uit New York vertrok om zich in Israël te vestigen. Hij woont in het centrum van Hebron, de stad waar Abraham volgens de overlevering begraven ligt, evenals de andere aartsvaders, Izaäk en Jakob. Zijn familie en vrienden liet hij achter, maar heel erg vindt Bechner dat niet. „Abraham verliet alles wat hij had. Ik vlieg, als ik dat wil, in één dag terug.”

Nu woont Bechner, een rustige jongen met dromerige ogen, tussen de meest radicale leden van de Joodse kolonistenbeweging. Hij ziet eruit zoals zo veel van de jonge kolonisten hier: een gebreid keppeltje, lange, woeste pijpenkrullen, een vlassige baard.

Circa 750 kolonisten hebben zich meester gemaakt van een klein gebied in de Oude Stad. Het Israëlische leger controleert dit gebied, H2 geheten. De circa 10.000 Palestijnen die in dit gebied wonen, leven noodgedwongen in gekooide huizen, waarvan de deuren beklad zijn met davidsterren en kreten als ‘Dood aan de Arabieren’ of ‘Hebron, van onze grootvaders en van ons’. Steeds meer Palestijnen zwichten voor de dagelijkse druk van de kolonisten en vertrekken.

Jonathan Bechner leest op straat in zijn gebedenboek. Hij is opgeleid op de yeshiva (religieuze school) van de nederzetting Ma’ale Adumim, vlakbij Jeruzalem. Op dergelijke scholen, die sterk aan populariteit winnen, leren jongeren wat de religieuze en ideologische fundamenten van de religieuze kolonistenbeweging zijn. De rabbi’s moedigen hun studenten aan vrijwillig een paar jaar in het leger te gaan en niet, zoals veel ultra-orthodoxe Joden doen, dienst te weigeren. Op die manier kunnen de banden tussen het leger en de kolonisten hechter worden.

Met gemengde gevoelens woont hij in Hebron, geeft hij toe. „Aan de ene kant heb ik altijd willen wonen waar onze voorvaderen zijn begraven. Dat geeft me een immens gevoel van verbondenheid met de tradities van mijn geloof. De deur van het paradijs staat hier open, en in de Thora staat dat maar een paar mensen door die deur kunnen komen.”

Maar hij ziet ook de constante dreiging van geweld om zich heen. Zijn vrienden lopen meestal gewapend rond, maar zelf heeft hij er geen zin in. „De spanningen met de Arabieren zijn enorm”, zegt hij. „De soldaten zijn nerveus, en zijn niet in staat ons te beschermen. Als ik een vrouw vind en kinderen krijg, ga ik misschien weg.”

De eens zo drukke straat El Shuada’ah is nu vrijwel verlaten, op katten en zwerfvuil na. Soldaten patrouilleren er met het machinegeweer in de aanslag. Kinderen van kolonisten proberen hun telefoons af te pakken. Het centrum is afgegrendeld met muren en prikkeldraad. Tussen twee militaire wachttorens is een kinderspeelplaats gebouwd, die niet wordt gebruikt. De huizen herinneren aan een trots Arabisch verleden, maar vrijwel geen ruit is nog heel.

Een bus rijdt het centrum van Hebron binnen. Amerikaanse toeristen stappen uit en de gids vertelt over de bijbelse betekenis van Hebron voor de Joden. Dan stappen ze haastig weer in. De koepel van kolonistenorganisaties, Yesha, is een intensieve campagne gestart om het imago van de kolonisten in binnen- en buitenland te verbeteren. Op billboards staan in het hele land kinderen afgebeeld, die verhalen uit de Bijbel naspelen. ‘Bet El: de droom van Jakob’. Of: ‘Hebron: het verhaal van Abraham’.

Verderop schuifelt over de straat een Palestijnse vrouw van net twintig, Lina Rana. Ze draagt een baby van zes maanden in haar armen. Niemand woont vrijwillig in H2, zoals het gebied volgens het Israëlische leger heet, zegt ze. „Ik ook niet. Anderhalf jaar geleden moest ik trouwen met een man die hier woonde. Ik had geen keuze. Het leven hier is ondraaglijk. Je weet nooit of de kolonisten ’s nachts of ’s ochtends proberen het huis binnen te komen.”

Lina’s man raakte een paar maanden geleden gewond, toen een kolonist op straat een kogel door zijn kaak schoot. „De meeste tanden is hij kwijt, maar hij heeft het overleefd.” Ook rondom Hebron is het al maanden onrustig. Kolonisten uit Kyriat Arba, dat tegen de stad aan ligt, vallen met regelmaat Palestijnse herders aan.

Als we schieten, zegt kolonist Mordechai Elban (21), „is dat uit zelfverdediging”. Elban loopt naar de hoek van de verlaten straat. Kijk daar, zegt hij, zie je de huizen op die heuvels? „Vanaf daar schoten de Arabieren op ons, jarenlang. Verderop is een Joods meisje doodgeschoten. We hebben op die plek een Beit Midrash (religieus studiecentrum) gebouwd.”

Elban gooit wel eens stenen naar Arabieren. Dat is het enige contact dat hij met hen heeft, grapt hij. Maar nooit, zegt hij er meteen bij, zal hij als eerste gooien. Nee, Elban heeft geen geweer. Hij is net uit dienst, het haar onder zijn keppeltje is nog gemillimeterd. Hij „oriënteert zich” nu op een goed wapen. „Ik denk dat het een pistool wordt. Klein en handzaam.” Jonathan Elban zegt dat het overdreven wordt, het geweld en de intimidatie tegen de Arabische bewoners van Hebron. „Maar we krijgen te weinig bescherming van het leger. Kijk maar om je heen, je ziet jongens van achttien, negentien jaar. Ik ken het leger van binnenuit. Ze hebben de beste bedoelingen, maar we beschermen ons liever zelf.”

Nooit, zegt Elban, zullen de kolonisten Hebron opgeven. „Soms maak ik me zorgen: de politiek in Israël is zo instabiel, en politici beloven van alles om maar bij de internationale gemeenschap in de smaak te vallen. Wie weet beloven ze een keer dat ze Hebron ontruimen.” En als ze weg moeten, wat dan? Pakken ze braaf hun koffers? Elban lacht minzaam. „We zullen ons met alle mogelijkheden verdedigen”, zegt hij. Dan denkt hij even na. „Maar we houden ons altijd aan de wet.”