Voorbij het revoproza en de plantage-rancune

Archie Sumter, Angelie Sens, Marc De Koninck, Ellen de Vries (red.): K’ranti! De Surinaamse pers 1774-2008KIT Publishers, 299 blz. € 24,50

De in 1957 opgerichte De Ware Tijd van de journalistieke nestor Leo Morpurgo was de eerste Surinaamse krant met een meer objectieve aanpak. De Surinaamse pers kent een traditie van felle tirades en persoonlijke aanvallen. De verzuiling speelde een rol, maar ook de late invoering van het algemene kiesrecht (in 1949). Kranten waren zo de belangrijkste uitlaatklep voor maatschappelijk ongenoegen. Zo gingen ze in de jaren twintig te keer tegen zware bezuinigingen op het onderwijs, vooral na uitlatingen van gouverneur Van Heemstra die vond dat er sprake was van ‘eene abnormale stijging in de eruditie’ en de vorming van ‘eene klasse van quasi-intellectuelen [...] voor wie in hun eigenlijke toekomstsfeer geen plaats meer te vinden was’.

In K’ranti! De Surinaamse pers 1774-2008 (initiatief van de in 2006 overleden Nederlands-Surinaamse journalist Archie Sumter) geven diverse auteurs met soms kleurrijke details een goed beeld van de Surinaamse persgeschiedenis. Zo’n overzicht was er niet. De meest geslaagde bijdragen gaan over de naoorlogse periode. Zoals die over de jaren zeventig, toen linkse weekbladen – geschreven door journalisten die na hun studie in Nederland vol idealen terugkeerden – met prikkelende onthullingen het Surinaamse medialandschap verlevendigden.

Indringend zijn de hoofdstukken over de militaire dictatuur (1980-1987), mede doordat gekozen is voor auteurs met tegengestelde visies. De dictatuur bereikte een dieptepunt met de moord door het regime-Bouterse op vijftien opposanten, van wie vijf journalisten, in december 1982.

Journaliste Nita Ramcharan, wier partner en collega Leslie Rahman in Fort Zeelandia werd doodgeschoten, doet koel en met oog voor detail verslag van ‘het donkerste tijdperk voor de vrije meningsuiting en de persvrijheid’. De aanvankelijke sympathie van journalisten voor de militairen was allengs omgeslagen in een kritischer houding. Maar een deel koos voor een ‘voorhoederol bij de omwenteling van de informatieorde, waarvoor besliste revolutionaire actie van de mediawerkers noodzakelijk is’. Dit door Ramcharan aangehaalde revoproza uit 1981 is van Chandra van Binnendijk, destijds een van de oprichters van de Vereniging van Progressieve Mediawerkers. En deze Van Binnendijk schreef het andere hoofdstuk over de militaire periode. Nog altijd gaapt er een pijnlijke kloof tussen haar en Ramcharan, oud-hoofdredacteur van De Ware Tijd en de meest gezaghebbende Surinaamse journalist. Ondanks de moord op haar collega’s bleef Van Binnendijk het regime trouw. Haar betoog heeft iets beklemmends. Nog altijd heeft ze het over ‘georkestreerd gestook’ en ‘destabilisatie’ door media tegen de militairen. Ze illustreert impliciet dat Suriname z’n verleden geenszins heeft verwerkt.

Uit de bundel blijkt dat ook democratisch gekozen regeringen in Suriname het nog altijd moeilijk hebben met een kritische pers. Na onwelgevallige publicaties kunnen overheidsadvertenties worden gestopt of journalisten geweerd. Uitgever Edward Findlay van De West spreekt treffend van ‘plantageachtige rancune’ bij autoriteiten. Die zouden beter deze persgeschiedenis lezen.