Vóór Grote Beer een ster werd

Arend van Dam, met illustraties van Alex de Wolf: In een land hier ver vandaan. Van Holkema en Warendorf, 141 blz. €15,95

Gijsbert van Es: Verhalen van Nederland. NRC Handelsblad/Het Spectrum, 203 blz. €19.95

Simone Kramer: Van Grote Beer en Orion. Ploegsma, 176 blz. €19,95

Jan Paul Schutten, tekeningen van Paul Teng: Kinderen van Nederland. Nieuw Amsterdam, 155 blz. €14,95

Janny van der Molen: Het licht schijnt overal. Ploegsma, 158 blz. €19,95

Is het de zoektocht naar onze Nederlandse identiteit? Komt het omdat de volksvertellers van weleer verdrongen zijn door radio, televisie en internet? Of is het ‘gewoon’ een verlangen om via het verleden onszelf een plaats te geven in een wereld die sinds de moderne communicatie (te) groot is geworden?

De precieze reden waarom zoveel kinderboekenschrijvers momenteel een bovenmatige fascinatie tonen voor onze gezamenlijke herinnering, is moeilijk te achterhalen. Maar feit is dat de stapel ‘verhalenbundels’ voor kinderen die zijn ingegeven door voorbije tijden, groeiende is.

Verhalen van Nederland (Gijsbert van Es), Kinderen van Nederland (Jan Paul Schutten), In een land hier ver vandaan (Arend van Dam), Het licht schijnt overal (Janny van der Molen) en Van Grote Beer en Orion, (Simone Kramer), zijn bundels die schommelen tussen geschiedenis en mythe – echte en verbeelde werkelijkheid –, met als doel het herbeleven van tijd, het overleveren van verhalen, gebeurtenissen en ideeën. Of deze overleveringen zich ook daadwerkelijk zullen voortplanten is niet zozeer afhankelijk van wat er wordt verteld, maar vooral van hoe.

Wil je verhalen vastleggen in het geheugen, dan moeten ze, om te beginnen, worden ingekaderd in een groter geheel. Een logische hoofdstukindeling is bijvoorbeeld belangrijk. Maar ook een tijdslijn (Kinderen van Nederland), een historische introductie per verhaal (Het licht schijnt overal en Kinderen van Nederland) en een voorwoord met begrippenuitleg en (goden)namen en kaart voor plaatsbepaling (Van Grote Beer en Orion) kunnen behulpzaam zijn. Bovendien moeten schrijfstijl en toon toegankelijk zijn zonder de taal haar rijkdom te ontnemen. Zijn de Griekse mythen niet juist dankzij hun poëtisering onsterfelijk geworden?

Kramer maakt dat knap inzichtelijk in Van Grote Beer en Orion. Daarin legt zij aan de hand van de Griekse mythologie uit hoe ons firmament zijn (beeld)betekenis heeft gekregen. Haar bondige verhalen zijn meer dan een echo van het Europa van de oude Grieken: Iedereen kent sterrenbeelden als Grote Beer en Waterman. Is het dan niet fascinerend te weten dat zij ‘bestaan’ dankzij de amoureuze perikelen van oppergod Jupiter, die de nimf Callisto (metgezellin van jachtgodin Diana) en ook de jonge prins Ganymedes verleidde? Met als gevolg dat hij Callisto bezwangerde en Ganymedes als ‘waterman’ (waterdrager/ wijnschenker bij de godenmaaltijden) bij zich op de Olympus nam. Daarna moest hij zijn geliefden redden uit de handen van zijn jaloerse echtgenote Juno (zij had Callisto al in een beer veranderd) en ze voor eeuwig als sterren aan de hemel zette.

Van der Molen, wier debuutbundel Over engelen, goden en helden met een Vlag en Wimpel is bekroond, gaat in Het licht schijnt overal nog een stapje verder: Haar gaat het om de wisselwerking tussen mythes, rituelen en geschiedenis, tussen verhaal en werkelijkheid. En hoe vanuit die wisselwerking onze huidige kerstviering is ontstaan: het levert een intrigerende verhalenmix van Germaanse mythologie (de wedergeboorte van Balder, de god van het licht, gedood door een maretak), Romeinse mythologie én geschiedenis (25 december vierden de Romeinen het feest van Mithras, ‘de onoverwinnelijke zon’), christendom (Jezus’ geboorte en Luther zijn kerstlied – en cadeau) en het resultaat is katholieke heiligenverering (Sint-Nicolaas alias Santa Claus, de kerstman).

Kramer en Van der Molen zijn geen Imme Dros, die, als de oude epische dichters, het poëtiseren van klassieke mythes als geen ander beheerst. Toch slagen beiden in hun overdracht, belandt Van der Molen soms in de valkuil van het anachronisme: ‘opa’ dook pas eind 19de eeuw op, maar Van der Molen introduceert opa al in de 4de eeuw.

Arend van Dam verdient lof voor zijn vernuftige verhalenrangschikking per continent in In een land hier ver vandaan en voor zijn heldere uitleg van complexe zaken als Darwins evolutietheorie. Maar ‘de hele wereld’ in vijftig in tijd heen en weer springende korte vertellingen over zowel Odysseus als de inmiddels legendarische Nelson Mandela en ‘onze’ Máxima, is te veelomvattend om te beklijven.

Dat ‘te’, geldt ook voor Van Es’ Verhalen van Nederland. Zijn opzet van een ‘omgekeerde geschiedenis’ die vanuit het heden naar Nederlands ‘wilde’ verleden beweegt, is oorspronkelijk, maar te feitelijk. De kleurrijke moderne illustraties, vormgeving en internetverwijzingen prikkelen, maar de tekst bezielt onvoldoende.

Alleen een goed verhaal is goud waard. Dat bewees Jan Paul Schutten met Kinderen van Amsterdam (Gouden Griffel 2008). En dat bewijst hij met Kinderen van Nederland opnieuw. Schutten schrijft levendig en – daar ligt zijn kracht – vertelt van binnenuit: Vanuit het perspectief van acht historische kinderen door de tijd heen. Zo maakt hij het verleden invoelbaar. Gedurfd zoekt hij de grens op tussen fictie en geschiedenis: Hij verwijst naar bronnen, beschrijft realistisch de stank van mest, rook en rottend vlees in Utrecht rond 1450, maar verzint voor het prehistorische meisje van Yde een heuse naam, zodat zij vanaf nu als Elva door het ‘leven’ gaat.

Schutten toont dat bezieling vertelkunst vereist. En vertellen – of het nu geschiedenis betreft of mythologie – is een artistieke prestatie die zonder verbeelding niet geleverd kan worden.