U bent hoogmoedig als u denkt dat u een beter mens bent dan ik

‘De Welwillenden’ begint met een proloog, waarin de oud-SS’er Maximilian Aue uitlegt waarom hij zijn herinneringen met ons deelt.

Hieronder twee fragmenten.

Wat het fascisme betreft, laten we niet alles door elkaar gaan halen; over mijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid mag u niet voorbarig oordelen, ik heb mijn verhaal nog niet verteld; en over mijn morele verantwoordelijkheid wil ik nog wel wat kwijt, als het mag. Rechtsfilosofen hebben er vaak op gewezen dat in oorlogstijd de burger, althans de mannelijke burger, een van zijn meest elementaire rechten verliest, en wel het recht om te leven; dit geldt al sinds de Franse Revolutie en sinds de invoering van de dienstplicht, een tegenwoordig vrijwel algemeen aanvaard principe. Zelden hebben ze echter naar voren gebracht dat de burger op hetzelfde moment een ander, even elementair recht verliest, dat voor hem in het licht van zijn zelfbeeld als beschaafd mens misschien nog vitaler is, namelijk het recht om niet te hoeven doden. Niemand vraagt naar je mening. De man die aan de rand van een massagraf staat, heeft er meestal net zomin om gevraagd daar te zijn als de man die, dood of stervend, onder in dat graf ligt. Uw tegenwerping zal zijn dat het doden van een vijandelijke militair in een gevecht iets anders is dan het doden van een ongewapende burger; het krijgsrecht staat het ene toe en het andere niet; de gangbare moraal maakt eenzelfde onderscheid. In abstracto is dat weliswaar een goed argument, maar het gaat volstrekt voorbij aan de omstandigheden van het conflict waarvan hier sprake was. Het volkomen willekeurige onderscheid dat na de oorlog is gemaakt tussen enerzijds de ‘militaire operaties’, die op één lijn werden gesteld met die in andere conflicten, en anderzijds de ‘gruwelen’, gepleegd door een minderheid van sadisten en gestoorden, is, naar ik nog hoop aan te tonen, een troostende waanvoorstelling van de overwinnaars – de westerse overwinnaars welteverstaan, want de Russen hebben, al hun retoriek ten spijt, altijd begrepen waar het feitelijk op aankwam: na mei 1945, na het eerste demonstratieve, voor de buitenwacht bedoelde vertoon, interesseerde die zogenaamde ‘gerechtigheid’ Stalin verder geen zier, wat hij wilde waren tastbare, concrete zaken, dat waren slaven en materiaal om te gaan opbouwen en herstellen, geen spijtbetuigingen of klaagzangen, want hij wist even goed als wij dat de doden ons gesnik niet kunnen horen, en dat wroeging nog nooit garen op de klos heeft gebracht. Ik ga me niet verschuilen achter de Befehlsnotstand, de dwang van het bevel die onze brave Duitse advocaten zo zwaar hebben benadrukt. Wat ik heb gedaan, deed ik bij mijn volle bewustzijn, in de overtuiging dat het mijn plicht was en dat het diende te worden gedaan, hoe onaangenaam en ellendig het ook mocht zijn. Ook dat is de totale oorlog: burgers bestaan niet meer, en het enige verschil tussen een joods kind dat is vergast of doodgeschoten en een Duits kind dat is omgekomen door brandbommen, is de toegepaste methode; beide sterfgevallen waren even zinloos, geen van beide heeft de oorlog met een seconde verkort; maar in beide gevallen meende de man of meenden de mannen die hen doodden, dat wat zij deden juist en noodzakelijk was; als zij zich vergisten, wie treft dan schuld?

Vergeet dit nooit: u hebt misschien meer geluk gehad dan ik, maar dat maakt u nog niet tot een beter mens. Zodra u zo hoogmoedig bent om dat te denken, wordt het gevaarlijk. Graag plaatst men de staat, al dan niet totalitair, tegenover het individu, de gewone mens, die dan wordt voorgesteld als een nietige vlo of een zwakke rietstengel. Daarmee wordt vergeten dat een staat is opgebouwd uit allemaal min of meer gewone mensen, ieder met een eigen leven, een eigen geschiedenis, de reeks van toevalligheden die ertoe hebben geleid dat de een zich op een dag aan de goede kant van het geweer of van het formulier bevond, en de ander aan de verkeerde. Hoogst zelden is het afgelegde traject een kwestie van keuze of zelfs van aanleg. De slachtoffers zijn meestal niet gefolterd en vermoord omdat ze zo goed waren, hun beulen hebben hen meestal niet gefolterd omdat zij, de beulen, zo slecht waren. Dat zou een wat naïeve opvatting zijn, wie daarvan verlost wil worden hoeft slechts rond te kijken in een bureaucratische organisatie, desnoods op het kantoor van het Rode Kruis. Voor wat ik nu beweer heeft Stalin trouwens een veelzeggend bewijs geleverd door van elke generatie beulen de slachtoffers van de volgende generatie te maken, en hij had altijd beulen genoeg. Het staatsapparaat bestaat uit los zand, en datzelfde zand wordt korrel voor korrel door het staatsapparaat vermalen. Het apparaat kan functioneren omdat het de steun heeft van iedereen, zelfs van de slachtoffers, heel vaak nog tot in de laatste minuut. Zonder figuren als Höss, Eichmann, Goglidze, Visjinski, maar ook zonder de wisselwachters, de betonfabrikanten en de boekhouders op de ministeries zijn een Stalin of een Hitler niets dan windbuilen vol haat en machteloze geweldsfantasieën. Het is intussen een cliché om te zeggen dat de grote meerderheid van hen die hun bijdrage aan het vernietigingsproces hebben geleverd, niet uit sadisten of geestelijk gestoorden bestond. Natuurlijk waren er sadisten en gekken bij, zoals in elke oorlog, en zij hebben onbeschrijfelijke gruweldaden gepleegd, dat staat vast. Ook staat vast dat de SS zich krachtiger had kunnen inspannen om die lui in toom te houden, al heeft ze op dat vlak overigens meer gedaan dan doorgaans wordt aangenomen; en zoiets is niet eenvoudig, vraag het aan de Franse generaals, die hadden het in Algerije moeilijk genoeg met hun dronkenlappen en verkrachters, met hun moordzuchtige officieren. Daar ligt niet het probleem. Gestoorde gekken heb je overal en altijd. In onze rustige buitenwijken wemelt het van de pedofielen en psychopaten, in de tehuizen voor nachtopvang zit het vol met doorgedraaide megalomanen; sommigen worden daadwerkelijk een probleem, ze vermoorden twee, drie, tien, soms zelfs wel vijftig mensen – waarna dezelfde staat die hen in een oorlog onbekommerd zou inzetten, hen vermorzelt als waren het van bloed verzadigde muggen. De rol van zulke zieke figuren is te verwaarlozen. Het werkelijke gevaar, vooral in onzekere tijden, dat zijn de gewone mensen die samen een staat vormen. Het werkelijke gevaar voor de mens dat ben ik, dat bent u. En als u daar niet van overtuigd bent, heeft het ook geen zin om verder te lezen. Dan zult u er niets van begrijpen en u kwaad maken zonder dat iemand daar iets aan heeft, u niet en ik ook niet.