Tekenen met klimop

De nieuwe straatkunstenaars schilderen niet met spuitbussen, maar met modder, water en mos. Met kunst die vanzelf weer oplost, laten ze zien hoe smerig de wereld is. Bijkomend voordeel: je wordt er niet voor opgepakt. „Schoonmaken is geen misdaad.”

Hij is ‘professor of dirt’. Altijd op zoek naar viezigheid. De beste plekken zijn de met fijnstof en roet besmeurde tunnels voor autowegen. Gewapend met oude sokken, borstels en een hogedrukspuit veegt, krabt en schrobt hij vuil weg, om zo de indrukwekkendste patronen achter te laten. Paul Curtis, bekend als Moose, noemt het ‘clean graffiti’. Schilderen door het vuil op te ruimen.

Op een geluidsmuur naast de drukke Broadway Tunnel in San Francisco staan nu grillig gevormde bomen en planten. En in Leeds (Groot-Brittannië) poetste hij in manshoge letters de tekst ‘Thank you for not breathing’ op een tunnelwand. Curtis: „Het is misschien niet zo mooi als wat graffitiartiest Banksy maakt, maar het proces zelf is minstens zo interessant.” Paul Curtis schaart zijn werk moeiteloos in de categorie ‘street art’. Ook voor hem fungeert de openbare ruimte als canvas; als podium voor zijn kunst. En net als graffitikunstenaars balanceert hij op de rand van de illegaliteit.

Heel anders is echter zijn bedoeling. Bij taggers draait het vooral om het afbakenen van hun territorium – zij laten met stift en spuitbus hun naam of beeldmerk achter – maar de Britse Curtis wil laten zien hoe smerig de wereld is. En hij vindt het proces belangrijker dan het resultaat. „Onze planeet is overvol”, zegt hij zonder al te dramatisch te willen klinken. „Waarom recyclen we niet wat er is, in plaats van steeds meer aan de wereld toe te voegen?”

Zo zijn er steeds meer

straatkunst-initiatieven die ‘groen’, niet permanent en een stuk softer zijn dan we van de straatkunst gewend zijn. Een speurtocht op internet laat zien dat de clean graffiti van Paul Curtis onder de noemer reverse graffiti navolging krijgt in Brazilië, Italië en Spanje. In Nederland is er een groep actieve guerrilla gardeners die ’s nachts bomen plant op rotondes en bloemen langs de snelweg. Er zijn straatkunstenaars die breiwerkjes verspreiden: zo krijgen palen mutsen en worden trapleuningen met beenwarmers ingepakt. Weer anderen ‘schrijven’ op muren met mos, modder, licht- en laserstralen of gooien met kleefbare zaadballen waardoor een minituin kan opduiken tegen een muur of op een verkeersbord.

Om dat laatste draait het vaak in de straatkunst: het verrassingseffect. Vandaar ook dat dit soort kunst binnen de muren van het museum meestal niet werkt. Net als bijvoorbeeld graffiti en stickerkunst reageert ook deze eco-straatkunst vaak op de omgeving waarin ze is aangebracht. Niet voor niets poetste de Braziliaanse Alexandre Orion in een tunnel in Sao Paulo roet van uitlaatgassen weg in een patroon van grimmige doodskoppen. „Pollution kills”, zo wil hij maar zeggen.

Een verschil met ‘gewone’ graffitikunstenaars is ook dat de makers van deze groene variant vaak transparanter te werk gaan. Want graffitiartiesten opereren doorgaans anoniem, maar deze groep is overdag en onder eigen naam actief. „Schoonmaken is geen misdaad”, zegt Paul Curtis kordaat. „Graffitiartiesten moeten zich verstoppen. Ik hoef me geen zorgen te maken. De overheid zit mij niet op de hielen.”

Siebe Thissen, hoofd Kunst en Openbare ruimte bij het Centrum voor Beeldende Kunst (CBK) in Rotterdam, schreef onlangs het boek Mooi van ver, waarin hij uitlegt hoe straatkunst begin jaren tachtig – toen vooral graffiti – in Rotterdam voet aan de grond kreeg. Het fenomeen was overgewaaid uit de Verenigde Staten. In New York hadden minderheden, zoals de Latino’s, vanaf de jaren zeventig hun bestaansrecht geclaimd door namen en handtekeningen in de openbare ruimte achter te laten.

Nog steeds bakenen taggers hun terrein af. Dat blijft, zegt Thissen. Maar daarnaast ontstaan er voortdurend nieuwe vormen. Na een hausse van sjabloonkunst wemelde het rond 2002 plots van de stickers. Twee jaar geleden zag Thissen in Rotterdam opeens overal kleine schilderijtjes opduiken. Wie die had gemaakt, bleef een raadsel. En in Londen zette de Britse kunstenaar Adam Neate deze week duizend kunstwerken op straat, een cadeau voor de gelukkige vinder.

„Om de zoveel tijd verschijnt er een nieuwe variant op de street art”, legt Thissen uit. En nu, zo lijkt het, is het thema ‘groen’. Hij vertelt dat het CBK op dit moment zelf in de binnenstad van Rotterdam werkt aan een „waanzinnig groot graffitiwerk, opgebouwd uit meer dan honderd meter klimop in tagvorm”.

Wat beweegt de ecokunstenaars? En waarom heeft de traditionele graffiti afgedaan?

Leg je die vragen aan de makers zelf voor, dan antwoorden ze bijna allemaal: wegens het gebrek aan groen in hun leefomgeving. Allemaal, of ze nu in de Verenigde Staten, Australië of Europa wonen, maken ze zich druk over de oprukkende verstedelijking en het verdwijnen van natuurgebieden.

Neem Edina Tokodi (30). Zij is opgegroeid in een klein dorp in Hongarije, omringd door groen. Na haar studie in Boedapest vertrok ze naar New York. Om de leegte tussen het beton te vullen, begon ze met het aanleggen van kleine tuintjes. Inmiddels maakt ze graffiti van mos en bekleedt ze het interieur van metrowagons stiekem met stukjes groen. Ze zegt: „Ik zie het als een verplichting, ja, als mijn taak om aandacht te vragen voor het gebrek aan groen in ons dagelijks leven.”

Een enkeling gaat nog een stap verder

en gebruikt zijn straatkunst om op te roepen tot actie. Kunstenaar Truus Trendy, bijvoorbeeld, legde de afgelopen maanden samen met de Rotterdamse galerie Roodkapje teksten gemaakt van grasmatten in verschillende steden. ‘Trut’ op het Haagse Binnenhof, ‘The Land is Ours’ op het Rotterdamse Hofplein. Truus Trendy, het alter ego van Marieke van der Weiden, noemt het citeh tagging. Ze reageert ermee op „de guerrilla gardening overkill”. Dat is namelijk allang achterhaald, vindt ze. „Groen is hip. Iedereen loopt ermee weg, maar ondertussen nemen we nog steeds de auto naar de brievenbus.” De groen-trend is in haar ogen te soft, en een marketingtool geworden. „Vandaar dat wij het wat grover en rauwer hebben aangepakt.”

De Amerikaanse Jesse Graves herkent zich daarin, maar heeft nog een ander motief voor zijn milieuvriendelijke kunst. Het wemelt al van de tags, verklaart de twintigjarige student aan de telefoon. Hij gebruikt voor zijn sjablonen daarom geen verf, maar modder. Die is niet giftig en ruimt zichzelf op. „Een regenbui kan genoeg zijn.”

Siebe Thissen, die voor het CBK nauwlettend alle kunstuitingen op straat volgt, denkt dat de openbare ruimte als podium voor kunst steeds populairder wordt. Het bereikt ook steeds meer mensen. Werd een graffiti-piece, een sticker of sjabloon aanvankelijk slechts door een handjevol voorbijgangers opgemerkt, nu zet diezelfde voorbijganger een film of foto op internet, en met een beetje geluk heb je prompt duizenden hits.

Dat overkwam bijvoorbeeld Joshua Allen Harris. Hij maakt van tasjes en vuilniszakken opblaasbare sculpturen, en bevestigt die aan metroroosters en ventilatoren. Wat eerst als een hoopje afval op straat ligt, bolt op bij iedere metro die onder het rooster voorbijraast. IJsberen, monsters en giraffen, van alles duikt op boven de luchtkanalen. En dat ziet er zo indrukwekkend uit dat het zich razendsnel over het web verspreidt.

Maar de openbare ruimte neemt af, zegt Siebe Thissen. Ook daarin zou een verklaring voor het nieuwe inventieve karakter van straatkunst kunnen liggen. „Je zit sneller op andermans terrein.” Daar komt bij dat gemeenten steeds strenger optreden, waardoor de pakkans voor een straatkunstenaar groter wordt. Het is dus niet zo vreemd dat kunstenaars alternatieven zoeken.

In Nederland zijn de voorbeelden nog dun gezaaid. De Amerikaanse, in Nederland woonachtige kunstenaar Jim Bowes heeft het fenomeen hier wel opgepakt. Met zijn Amsterdamse bedrijfje Greengraffiti heeft hij de ecostraatkunst in een commercieel jasje gestoken. En dat verkoopt. Met sjablonen en een hogedrukspuit plaatste hij al reclame voor Elle, voor theatergroep Dogtroep en Smart op vieze stoeptegels.

Maar Bowes’ initiatief zou wel eens de doodsteek kunnen zijn voor de ecokunst. Dat zie je bij street art vaker, zeg Siebe Thissen. „Zodra de grote jongens ermee aan de haal gaan, is het afgelopen. Dan treedt doorgaans regelgeving op en doet de bestrijding haar intrede.”

Inl: alexandreorion.com. Op youtube.com zijn de opblaasbare sculpturen van Joshua Allen Harris te zien. Werk van Paul Curtis is verzameld op symbollix.com