Reve schrijft zoals een Senegalees loopt

Het overlijden van Ludo Pieters, de Rotterdamse ondernemer, zou mij ontgaan zijn als J.L. Heldring gisteravond in deze krant niet zo’n interessant In Memoriam over hem geschreven had. Een prominente Rotterdamse havenbaron, trouw lid van de PvdA, verzetsman, schrijver, kunstminnaar en vriend van Gerard Reve – mij dunkt dat Heldring reden had nog één keer aandacht voor Pieters te vragen.

Ik knipte zijn column uit en wilde hem in mijn uitgave van Reves Brieven aan Ludo P. stoppen, maar besloot eerst nog even deze bundel uit 1986 door te bladeren. Vanaf dat moment was ik verloren, althans, een gedeelte van mijn nachtrust, want Reve laat zich niet straffeloos doorbladeren. Een mens vergeet veel en mijn ogen bleven haken aan prachtige citaten die zich als nieuw voordeden.

Reve is in sommige brieven doodernstig, hij maakt vooral indruk als hij Pieters de noodzaak van zijn schrijverschap uitlegt. Zijn lange brief van 24 maart 1963 is in dit opzicht een van de belangrijkste brieven die hij geschreven heeft. Hij stelt vast dat het hem als schrijver niet om de roem gaat.

„Ik heb geen flauw idee, of mijn werk werkelijk betekenis heeft, maar wel weet ik, dat ik moet werken en schrijven, omdat mijn schrijven voor mij leven, dat wil zeggen me ontwikkelen en mijzelf rekenschap geven betekent. Ik moet schrijven, omdat het de enige activiteit is, die ik vind dat zin heeft, niet omdat ik er iets of iemand mee dien, maar omdat het mijn werk is, omdat het mijn taak is mijn gedachten op schrift te stellen. Ideeën, visioenen en het ondergaan en beschrijven daarvan, bezingen van God en Dood, zijn voor mij van zulk een belang, dat seks, eten, mooie kleren en fraai meubilair daarbij vrijwel zonder betekenis worden, en dit hoewel ik van temperament een geil, hartstochtelijk, en gulzig mens ben.”

Kan een schrijver zijn credo beter verwoorden?

Je kunt merken dat Reve Pieters serieus neemt, iets wat zeker niet voor al zijn correspondentievrienden gold. Omgekeerd beseft Pieters dat achter Reves clownerieën vaak diepe ernst schuilt. Je moest door zijn absurde uitspraken en beweringen leren heenkijken, zal hij later schrijven. Uiteraard kan Reve het niet laten Pieters (‘Progressief Type’) te pesten met zijn ‘rode’ sympathieën, maar hij gaat voor zijn doen opvallend diep door het stof als er in 1979 een verwijdering ontstaat. „Of ik in het meningsverschil gelijk heb of niet – mijn bruuske reactie was ongeoorloofd, en onwaardig – typies de kortsluithandeling van een wanhopige. Ik wilde jullie vragen, of ik wederom vrede mag maken. Wat mij betreft, zij het vrede.”

Pieters heeft ook ambities als schrijver gehad, maar Reve vond zijn proza niet ‘persoonlijk’ genoeg. Dat Pieters kon schrijven, bewees hij in het In Memoriam dat hij over Reve schreef in de bundel Het volle leven. Hij vergeleek daarin de stijl van Reve met „het lopen van de Senegalezen in Dakar, zo soepel en natuurlijk, dat je je op straat als Europeaan bewust wordt van je eigen houterig voortbewegen.”

Ik heb nog nooit een Senegalees in Dakar zien lopen, maar als me dat ooit nog eens overkomt, weet ik zeker dat ik aan Gerard Reve zal denken. En aan Ludo Pieters natuurlijk.