PVV-boycot

De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt wel eens laatdunkend een ‘praathuis’ genoemd. Maar woensdag was de volksvertegenwoordiging eerder een ‘zwijgplaats’. Bij een plenair debat zaten er exact zeven parlementariërs en één bewindspersoon in de zaal: vier PVV’ers, twee SP’ers, minister Hirsch Ballin van Justitie en de vergadervoorzitter.

De afwezigheid van de 143 andere volksvertegenwoordigers was niet het gevolg van drukke agenda’s. Nee, ze wilden bewust niet deelnemen aan een debat over een niet geheel zonder problemen verlopen lampionnenoptocht in Den Haag tijdens het kinderfeest Sint-Maarten van 5 november.

Aanstichter van dit debat was de PVV’er Fritsma. Dat een van de jonge raddraaiers die de lampionnentocht hadden verstoord door de politie was aangehouden, en dat het incident bestuurlijk een plaatselijke politieke verantwoordelijk is, weerhield Fritsma niet. Hij vroeg in de Tweede Kamer een interpellatie. Zijn verzoek werd door de fractie van de SP ondersteund, omdat de grootste oppositiepartij vindt dat elk debat ten principale moet worden gevoerd.

Zoals formeel hoort, diende Fritsma een drietal moties in, die qua vorm en inhoud bij elk debat over openbare orde door de PVV worden ingediend (en vervolgens worden weggestemd). Voor het overige gebruikte hij de interpellatie voor een discours over „laf tuig”, „straatterroristen” en „intifada”, woorden die hij, ook zoals gebruikelijk, consequent combineerde met het adjectief „Marokkaans”. Voor de PVV is het parlement kennelijk niet primair een wetgevend orgaan maar in de eerste plaats een tribune – een opvatting die de PVV overigens deelt met alle radicaal linkse én rechtse anti-establishment partijen, vroeger en nu.

Toch is dat geen reden om een formele vergadering van de Tweede Kamer te mijden, zoals alle fracties tussen PVV en SP gisteren zo ostentatief deden. Deze houding heeft iets van een boycot. Dat is alleen al tactisch onverstandig. Demonstratief wegblijven speelt de partij waarmee men niet wil debatteren juist in de kaart. Maar de houding is ook principieel problematisch. Een boycot van de Staten-Generaal zou voor democratische partijen ondenkbaar moeten zijn. In een democratisch land mag de volksvertegenwoordiging zich nooit en te nimmer, al dan niet vrijwillig, laten ontruimen.

Er is voldoende reden voor ergernis over de manier waarop de PVV het parlementaire voetlicht gebruikt en daarmee een minister van zijn bestuurlijke regeringswerk afhoudt. Maar wegblijven uit de plenaire vergaderzaal is niet de geëigende methode om aan die irritatie lucht te geven.

Beter zou zijn om de regels voor een interpellatie of spoeddebat te heroverwegen. Na de moord op Fortuyn in 2002 is het minimum aantal leden dat daarvoor nodig is, verlaagd naar dertig, in de hoop zo het parlementaire debat dichter bij het volk te brengen. De vraag is of zo niet het paard achter de wagen is gespannen. Toen er nog een gewone meerderheid voor een interpellatie nodig was, stonden de debatten niet verder van de burger af dan nu. Integendeel.