Overwegingen van een funshoppende fractieleider

Femke Halsema: Geluk! Bert Bakker, 128 blz. € 14,95

In haar essay Geluk! Voorbij de hyperconsumptie, haast en hufterigheid zet Groen Links-partijleider Femke Halsema zichzelf neer als ‘een van ons’. Ook zij zwicht vaak voor impulsaankopen, geeft toe als haar zoon van vier om nieuwe schoenen zeurt, en ruziet bij de kassa in de supermarkt als de rijen haar te lang zijn.

Dat is een sympathiek uitgangspunt. Een beetje modern politicus strooit lustig met persoonlijke details, maar vooral als die het eigen imago te versterken. Halsema relativeert haar imago niet alleen, ze neemt het risico het in de ogen van haar lezers te ondermijnen: als ‘groen’ boegbeeld wordt zij nu eenmaal niet geacht te funshoppen.

Maar Halsema doet het wél, wij allen doen het, en Halsema weet waarom: we zitten collectief gevangen in een maatschappij waarin het consumeren permanent wordt aangemoedigd, terwijl de overheid zich steeds minder laat zien. Onder het mom van ‘groei is goed’ heeft overal het kapitalisme kunnen zegevieren. Daar weten wij ons als consumenten wel raad mee, maar als burgers vaak nauwelijks.

Om dit tij te keren doet Halsema suggesties voor een terugkeer van de staat in het openbare leven. Suggesties, die de burger moeten faciliteren, meer rust zouden geven. Reclamevrije publieke omroepen. Veilige stations, waar behalve kroketten ook theaterkaartjes te koop zijn. Goed onderhouden parken, speeltuinen, fietspaden. Meer en beter betaald personeel in scholen en ziekenhuizen. Mede dankzij haar ook op papier elegante welbespraaktheid zie je Halsema’s gelukkiger samenleving duidelijk voor je.

Wat individueel gedrag betreft is Halsema minder overtuigend. Ze is voorstander van maximale zelfontplooiing – haar eigen koopverslaving is aan het slot van Geluk! dus nog intact. Ook als de overheid het verplicht zou stellen om op dubieuze producten voortaan duidelijk de herkomst te vermelden, zoals een van haar aanbevelingen luidt, dan nog acht ze de kans groot dat ze op een ‘willekeurige zaterdag’ weer zal bezwijken voor een ‘dure leren tas’. Daarmee raakt ze aan het raadsel van elke verslaving: Hoe vrij zijn vrije individuen eigenlijk? Hoeveel vrijheid kunnen ze aan?

Volgens Halsema kopen we onzin- spullen uit een verlangen naar geluk, status en uniciteit. Dat het eerste niet meer is dan een klein piekje gevolgd door een groter dal van spijt, is bekend. En wie een echt unieke tas zoekt, kan beter een plastic zak bekladden. Maar één ding biedt Halsema’s tas haar wel: een vorm van sociale status of, softer uitgedrukt, van verbondenheid. Door haar aankoop schaart ze zich in een groep waar ze kennelijk graag bij wil horen. Daarin onderscheidt zich niet van het in Geluk! geciteerde Lonsdale-meisje, dat ‘haar’ merk voor Marokkanen verboden verklaart.

Halsema weigert om dit moderne kuddegedrag in verband te brengen met het afbrokkelen van andere, traditionele sociale verbanden: dat is de link die conservatieven leggen, redeneert ze, om mensen in hun vrijheid te beperken en ze met ouderwetse ‘normen en waarden’ terug in een mal te duwen. Maar de nadelen van een gebrek aan richtlijnen blijven bij haar onderbelicht.