Nu ook nieuws van het oostelijk front

Geert Buelens (sam. en inl.): Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog. Ambo/Manteau, 686 blz. € 49,95 (geb.)

Geert Buelens: Europa! Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog. Ambo/Manteau, 375 blz. € 24,95

‘The blood, the noise, the endless poetry.’ Aldus de kernachtige samenvatting van de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog, door een van de personages uit de televisiekomedie Blackadder Goes Forth (1989). Volgens voorzichtige schattingen werden er tussen 1914 en 1918 meer dan een miljoen verzen aan de oorlog gewijd, niet alleen door de later zo beroemd geworden Britse War Poets, naar wie het Blackadder-personage verwijst, maar ook door dichters uit tientallen andere landen die bij het conflict betrokken waren. Zo werden er in Duitsland in de eerste oorlogsmaand per dag vijftigduizend verzen geschreven.

Geen wonder dat Geert Buelens, professor moderne letterkunde in Utrecht en samensteller van de verbluffende bloemlezing Het lijf in slijk geplant, de Grote Oorlog omschrijft als de oorlog van de poëzie, zoals Vietnam de oorlog van de muziek en film is, de Golfoorlog die van de televisie (CNN), en de inval in Irak die van het internet. Maar, zo maakt de uit België afkomstige hoogleraar duidelijk, de aandacht van historici en critici is vooral gericht geweest op het (Engelse) rijtje Rupert Brooke-Wilfred Owen-Siegfried Sassoon-Robert Graves, of op de eeuwige poppies van John McCray. De circa 190 gedichten en tien lange fragmenten die Buelens bijeen heeft gebracht in Het lijf in slijk geplant moeten dat nu corrigeren.

En dat doen ze. Buelens heeft zijn materiaal uit alle hoeken van de wereld gehaald, en niet alleen uit de loopgraven van het westelijk front. Zijn dichters komen ook uit de Balkan, het Balticum en het Midden-Oosten. Hij is gaan speuren in Canada, Australië en India – landen die vaak over het hoofd worden gezien omdat ze oorlog voerden als onderdeel van het Britse Rijk. En hij heeft dichters geselecteerd die de oorlog bezagen vanuit neutraal gebleven landen, waaronder Nederland (Jacobus van Looy vocht niet mee, maar schreef wel het langste gedicht) en Zwitserland (Hugo Ball: ‘Zo sterven we, zo sterven we, / we sterven alle dagen’). De gedichten komen uit Kroatië en Libanon, uit Armenië en Nieuw-Zeeland, Rusland en Turkije – en het veeltalige effect wordt nog vergroot doordat ze allemaal in de originele taal én in vertaling zijn opgenomen. Het lijf in slijk geplant is een boek met maar liefst vijf alfabetten: het Latijnse, het Griekse, het Cyrillische, het Arabische en het Georgische. De origineelste bijdrage is een Schots gedicht dat in het West-Vlaams is vertaald.

Er zitten bekende klassieken tussen de chronologisch gerangschikte gedichten, zoals het bij iedere lezing indrukwekkender ‘Dulce et decorum est’ van Owen, of ‘In Flanders Fields’ van McCray. Je vindt er onbekende juweeltjes, zoals de ‘Totentanz’ van Ball waaruit de bovenstaande twee regels afkomstig zijn, of ‘The Immortals’ van Isaac Rosenberg (die zijn strijd tegen de luizen beschrijft als een nachtmerrie uit de loopgraaf). Er is grootse poëzie bij van (latere) Nobelprijswinnaars als Kipling, Tagore, Andric en Eliot, en onbeholpen broddelwerk van fanatieke amateurs. Neem de eerste strofen van het gedicht op pagina 459:

Om ons heen ligt het vijandige leger,

Talloos als zand aan zee.

De Fransman, Rus en Brit,

met hun kleine blaffers mee.

En wij – in het heetst van de strijd

wij houden vaandelwacht.

Trouw tot aan de dood

blauwwit en zwartwitrood.

Regels vol goedkope beeldspraak en suffe heroïek, geschreven door een soldaat eerste klas die nog minder kon dichten dan schilderen, en die tot aan zijn dood in de volgende oorlog, in de Führerbunker in Berlijn, een schril verdediger van het ‘zwartwitrood’ zou blijven. Regels die anders dan tientallen andere verzen geen illustratie zijn van de door Buelens aangehaalde definitie van poëzie van Ezra Pound: nieuws dat nieuws blijft.

Buelens streeft naar het mozaïek, het beeld van de oorlog door de ogen van de dichters die hem meemaakten. Maar hij doet meer, want tegelijkertijd verscheen van zijn hand ook de zeer leesbare studie Europa Europa! waarin hij de dichters van de Grote Oorlog van context voorziet – naar eigen zeggen voor het eerst in breed internationaal perspectief. Zodat de lezer niet alleen te weten komt hoe het de dichters in de strijd verging, maar vooral ook hoe zeer de literaire geschiedenis van de jaren tien verbonden was met de politieke geschiedenis. In de nieuwe poëtische stromingen van vóór de Eerste Wereldoorlog, zoals vorticisme en futurisme, ontwikkelde zich een verbeten hang naar een groots en meeslepend leven; een afrekening met de versteende en verstikkende oude wereld. Toen op 28 juni 1914 de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins door een Servische nationalist werd vermoord, stortten al die dichters zich met groot enthousiasme in de Mutterkatastrophe die volgde. En laten we niet vergeten: ook Gavrilo Princip was een (gemankeerd) dichter.