Neem de wapens op tegen 'n zee van beton

Ariel Kenig: Pauze. Vertaald door Marianne Kaas. Contact. 156 blz. € 16,90

Abdellah Taïa: Arabische melancholie. Vertaald door Henne van der Kooy. Van Gennep, 134 blz. € 14,95

‘De eerste keer dat A. me naakt zag, kon ze niets met me beginnen. Het cement had mijn begeerte dichtgemetseld’. Die bedkwestie is nog het minste waarmee de 20-jarige verteller in Ariel Kenigs Pauze worstelt. Zijn grootste probleem is de buitenwereld, het leven in de betonnen buitensteden, waar iedereen zich gruwelijk verveelt en ‘daarom maar gaat werken’, elkaar bespiedt, bedreigt en bespot. Zijn strijd geldt ‘de groep’, de kluwen nietszeggende leeftijdgenoten, waar de terreur van de middelmatigheid heerst, waar lachen niets dan leugen is, ‘waar je je kop moet laten zien, maar waar je je maar beter kunt wapenen’. Zijn wereldbeeld wordt gevormd door ‘wybertjes’, het teken van de Peugeotfabriek, waar iedereen in zijn omgeving werkt. ‘Het wybertje was de figuur die ik als eerste kon benoemen nog vóór de driehoek, de cirkel of de rechte lijn. Het vanzelfsprekende van die obsessie vond niemand griezelig’.

Als protest tegen deze wereld waarin hij niet wíl opgroeien, waarin hij geen plaats wíl vinden, besluit de verteller binnen te blijven. ‘De deur heel bewust dicht. Het is onherroepelijk.’ Dus breekt hij met de groep, maakt hij het huis schoon waar hij samen met zijn vader woont, hij kookt, wast, poetst en luistert naar de verhalen van zijn vader als die ’s avonds bekaf thuiskomt van zijn lopendebandwerk. Hij helpt zijn vader met de werkstukken die hij voor zijn cursus Frans moet maken. ‘Die verdomde taal leren, is dat echt nodig, voor het assembleren van auto’s?’

De 25-jarige Kenig excelleert in ironisch-afstandelijk en soms poëtische taal (die wel aan Dimitri Verhulsts Problemski hotel doet denken) en schetst wat er om kan gaan in de geest van een 20-jarige die nee zegt. Nee tegen de uitzichtloosheid, tegen de werkloosheid, tegen slapheid en meeloperij. Maar het blijft bij dat nihilistische, stille protest, die wanhopige exercitie in een huis clos waar geen sprankje hoop gloort, anders dan bijvoorbeeld in vergelijkbare romans van Faïza Guène, Lydie Salvayre of Fatou Diome.

Hoe anders is dat in Arabische melancholie, de eveneens onlangs vertaalde Frans-Marokkaanse roman van Abdellah Taïa (1973). Ook in deze roman gooit een jongeman zijn kont tegen de krib, gaat hij tegen de stroom in, heeft hij lak aan traditie en conventie. Terwijl Kenigs held zich als een kluizenaar terugtrekt, gaat Taïa’s hoofdpersoon met open vizier het duel aan. Ook hij lijdt, wordt bespot, vernederd, bijna verkracht, buitengesloten, maar hij behoudt zijn levenskracht. ‘Ik houd niet van wachten. Ik geloof in liefde op het eerste gezicht. Ik wil alles weten, en onmiddellijk. Ik ben niet bang om te lijden’. Hij stort zich in Parijs en Caïro in harde homoseksuele avonturen, in hartstochten die hem tot waanzin drijven. ‘Mijn einde als gelovige. Zonder religie. Zonder Allah. Geworpen in een duizelingwekkende leegte. Verwilderd in Caïro’s labyrint. De gekte. De ontreddering. Ik midden in een Arabische wereld die, feitelijk, ook nergens meer in geloofde’. Hij valt diep en hard, de hoofdpersoon die ook Abdellah Taïa heet, maar hij houdt zijn lot in eigen hand. Hij wijdt zich aan muziek en aan film.

De moedeloze puber van Kenig keert zich van de wereld af, de snel ontvlambare jongeman van Taïa omhelst de passie – beiden verliezen zich. Wat beide jonge auteurs bindt is de roep om een toekomst. Niet voor henzelf – dat is niet meer nodig, zij vonden die in het schrijven -, maar voor al die andere jongeren die opgroeien in een zee van betonnen flatgebouwen.