Naar hoger plan gestuwd

Er staan mooie verhalen in ‘Gentse lente’ van A.F.Th. van de Heijden.

Maar wat ligt er nog in zijn werkkamer en waarom krijgen we dat niet te zien?

Je zou er wat voor geven om te mogen grasduinen in de kasten, ordners en mappen die A.F.Th. van der Heijden in zijn werkkamer heeft verzameld – om nog maar te zwijgen van het papier dat op zijn vier bureaus ligt. Want wat Van der Heijden publiceert, is maar een fractie van wat hij aan moois heeft geschreven in de dertig jaar die zijn verstreken sinds zijn debuut Een gondel in de Herengracht.

Die verjaardag, afgelopen dinsdag, wordt gevierd met de publicatie van Gentse lentes, Van der Heijdens eerste verhalenbundel sinds dat debuut. De bundel is echter niet de grote greep uit de schatkamer waar je op zou hopen. Een fors deel van het materiaal behoort tot de ‘bovenlaag’ van het oeuvre, werk dat de meeste liefhebbers al in de kast hebben staan. Dat geldt ondermeer voor ‘Weerborstels’, het Boekenweekgeschenk 1992, en ‘Uitdorsten’ (verschenen in De Requiems uit 2003 en vorig jaar apart), delen uit Engelenplaque uit 2003 en ‘De gebroken pagaai’ dat in 1995 met Een gondel in de Herengracht verscheen in de debutenreeks van uitgeverij Conserve. Samen is dat meer dan de helft van Gentse lente.

Waarmee niet gezegd is dat die verhalen onder de maat zijn: ‘Weerborstels’ is verre van versleten en ‘Uitdorsten’ is een prachtig requiem, gedragen door een grote woede jegens iedereen die de moeder van de schrijver ooit iets heeft aangedaan. Immers, er bestaat geen verdriet zonder agressie. Bovendien schakelt Van der Heijden in het ‘Uitdorsten’ soepel naar de ontstaansgeschiedenis van zijn eigen werk. In de trein naar huis maakt hij aantekeningen op een krant over dood en leven: ‘Het komt erop aan jezelf zó goed te leren kennen, zó goed te leren analyseren dat je voor jezelf steeds meer geobjectiveerd raakt... en zo voor jezelf langzaam – volhardend – een Ander wordt.’ Het is met een beetje goede wil de kerngedachte van Homo duplex, de romancyclus waarvan Van der Heijden in 2003 het eerste deel zou publiceren.

Ook in het titelverhaal voert Van der Heijden je weg van de eigenlijke vertelling om het een en ander uit de doeken te doen over het ontstaan van Homo duplex; ditmaal op het gebied van hooligans en de dood van de jonge journalist Joris Abeling in 1998. Dit wordt verweven met het verslag van een dramatisch verlopen reisje naar een literaire bijeenkomst in Gent. Het grote verschil met ‘Uitdorsten’ is echter dat het verhaal ‘Gentse lente’ zelf niet zo goed is. Het heeft een zwakte die in het mindere werk van Van der Heijden vaker voorkomt. Die is misschien het best uit te leggen aan de hand van de volgende zin, uit een passage over enig gesteggel over gage en hotel. ‘Om de mestsmaak van deze vijandige koehandel uit mijn mond te spoelen dronk ik in het festivalcafé kort na elkaar een drietal dubbele wodka’s.’ Het is een donderende, op een bepaalde manier ook wel grootse zin, die echter averechts werkt. Want de woorden zijn zo groot bij een zo kleine aanleiding, dat ze daar niet het universele van benadrukken – wat in de kunst toch de bedoeling is – maar juist het particuliere. Onwillekeurig vraag je je af: waar windt die ik-figuur zich nu eigenlijk over op? Waar windt de schrijver zich nu eigenlijk over op? En dan slaat ook de verveling toe.

Een vergelijkbaar effect treedt op bij andere mindere verhalen in de bundel (‘Krakelingen met kaneel’, ‘De magneetvrouw’). Het omgekeerde geldt voor verhalen als ‘Schwantje’s Fijne Vleeschwaren’ en ‘Adagio’, waarin de zinnen van Van der Heijden de vertelling naar een hoger plan stuwen. Dat gebeurt vooral in ‘Het Byzantijnse kruis’ dat 28 jaar geleden in Avenue verscheen. In die prachtige, lichte vertelling komt een autokraker aan het woord over de technische aspecten van zijn werk: het soort schaar dat hij gebruikt voor de sloten om via het terugkerende fenomeen van de brekende scharen te eindigen bij de angst dat hij opgespoord zal worden aan de hand van de afgebroken stukjes, en bij een lyrische droom over verloren scharen op de bodem van de gracht, verbonden met de herinnering aan een tante die ter plaatse van de brug stapte. Dat alles door een auteur die nog geen dertig is.

Je kunt redeneren dat dit verhaal alleen al de moeite van deze bundel waard is. Maar zo werkt het toch niet: door de wetenschap dat er in huize Van der Heijden nog zoveel moois verborgen ligt, ben je in de eerste plaats verstoord over het feit dat we het moeten doen met een bundel vol werk dat deels bekend is, en waarvan een deel óók nog tot het mindere werk van Van der Heijden behoort.

A.F.Th. van der Heijden: Gentse lente. Verhalen. Querido, 312 blz. € 22,95